Nieuws | Veilig

Votob schept duidelijkheid in overvulbeveiliging

Er zijn verschillende configuraties die gebruikt worden om een onafhankelijke overvulbeveiliging te realiseren. Samen met I-SZW heeft Votob gewerkt aan een serie afbeeldingen die de juiste en onjuiste maatregelen tegen overvullen in beeld brengen.

“De vraag of een bedrijf een onafhankelijke overvulbeveiliging heeft, is niet simpelweg met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden”, zegt Hennie Holtman (adviseur milieu en veiligheid bij Votob). “Die beveiliging bestaat namelijk uit een samenspel van verschillende technische componenten. Er zijn verschillende configuraties die een juiste manier van overvulbeveiliging vormen.”

Tijdens een workshop bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in 2016, kwam aan het licht dat er verschil van mening bestond tussen bedrijfsleven en inspectie over wat goede en onafhankelijke overvulbeveiliging precies inhoudt. Hennie Holtman: “Terwijl het bedrijf ervan overtuigd was de boel op orde te hebben, keurde de inspectie de overvulbeveiliging tóch af. Het leek me daarom goed om eens met een aantal mensen uit de tankopslag en een aantal van de inspectiediensten bij elkaar te gaan zitten om de verschillende configuraties door te spreken.”

Dit initiatief van Holtman leidde onlangs tot een visueel overzicht van alle technische methoden die gebruikt kunnen worden als ‘maatregelen tegen overvullen’. “Voordeel van dit overzicht is dat het in één oogopslag duidelijk is wat een goede manier van beveiligen is”, zegt Hennie Holtman. “Zo voorkomen we oeverloze discussies en zelfs rechtszaken. En bedrijven steken geen geld in beveiligingsmethoden die niet de goedkeuring van I-SZW hebben.”

 

Binnenkort zal het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zélf ook een mail uitsturen aan de betrokken industriepartijen om hen te informeren over de nieuwe visuele handleiding voor overvulbeveiliging. In de zomer van dit jaar zal I-SZW van start gaan met een nieuw toezichtsproject gericht op de maatregelen tegen overvullen van opslagtanks.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Educatief

VOTOB Academy: hoe rooster je medewerkers uit?

VOTOB Academy is een feit, elke week melden nieuwe studenten zich aan voor de opleiding of voor losse onderdelen daarvan. Die kennishonger bij hun medewerkers stelt tankopslagbedrijven voor nieuwe problemen: hoe maak je een passend werkrooster met al die studerende medewerkers? Nel Kranendonk (Rubis Terminals) weet wat het is om in de roosters hiermee rekening te houden.

“Momenteel hebben we twee mensen die de tweejarige opleiding procesoperator Tankopslag B doen en volgende maand begint er nog ééntje. Daarnaast zijn er twee medewerkers die een losse module volgen. Dat klinkt misschien niet veel, maar dat is toch tien procent van het totaal aantal werknemers bij Rubis”, vertelt Kranendonk.

Studeren gaat prima ’s nachts
Voor de studenten die de module volgen, geldt dat ze geen lessen hoeven te volgen. Daarom is het voor hen mogelijk om de studie in de rustige uurtjes te doen, bijvoorbeeld tijdens de nachtdiensten. Nel Kranendonk vertelt dat de teamleider hen dan helpt bij de leerstof. “Met overhoren bijvoorbeeld, dat gaat prima ’s nachts.” Voor de studenten die de volledige opleiding doen, is het anders: die moeten immers met een docent praktijkopdrachten op de terminal uitvoeren en kunnen dan niet tegelijkertijd aan het werk zijn.

“Ik probeer de shifts vier à vijf maanden vooruit te plannen, zodat de andere medewerkers weten dat ze op het moment van de lessen geen vrij kunnen nemen”, vertelt Kranendonk. Als de lesdag toevallig op een vrije dag valt, dan heeft de student ‘gewoon pech’. Tot nu toe heeft Nel Kranendonk nog geen problemen ondervonden met het uitroosteren van de studenten. “De eersten zijn op 1 maart begonnen, de eerste drie maanden zitten erop en het loopt op rolletjes.”

De jongens springen voor elkaar in
De reacties van de studenten zijn tot nu toe heel positief, alhoewel ze de studiedagen wel lang vinden, weet Kranendonk. “Maar het kost het bedrijf best een hoop geld om iemand eens in de twee weken een hele dag vrij te maken en het is tenslotte ook in ieders belang dat het kennisniveau van de medewerkers op peil blijft.”

Voor Kranendonk is het uiteindelijk simpel: “Als iemand naar school gaat, dan houd je daar gewoon rekening mee. Het is ook wel de mentaliteit van ons bedrijf dat de jongens voor elkaar inspringen als er één naar school gaat of ziek is. Bij Rubis werken, voelt toch een beetje als een familieband. Ik wil niet te zoetsappig klinken, maar mensen helpen elkaar gewoon.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Educatief

Vaker professioneel vlooien

Mensen voelen zich superieur aan andere apen, maar wat veiligheid en leiderschap betreft, kunnen wij heel wat leren van onze ‘familieleden’. De VOTOB Milieu- en Veiligheid-commissie trok daarom naar Dierenpark Amersfoort.

“Wat onze DNA-structuur betreft, zijn wij mensen méér verwant aan de chimpansee dan de chimpansees en de gorilla’s onderling.” Trainer Daniel Seesink (BewustZoo) is van oorsprong gedragsbioloog, maar helpt tegenwoordig bedrijven te kijken naar ‘bio-logisch’ leiderschap. Aan de hand van het gedrag van apen, kunnen wij onze samenwerking op de werkvloer beter begrijpen.

In het kader van Veiligheid Voorop schreef Daniel Seesink een essay over zijn biologische kijk op veiligheid en leiderschap. Wie de mensapen goed bestudeert ziet dat de positie van leidinggevende een hiërarchische positie is, maar wel een positie die de leider voortdurend moet zien te behouden. De leidinggevende is afhankelijk van het draagvlak dat hij of zij (bij de Bonobo’s zijn het niet de mannetjes, maar de vrouwtjes die de alfa-positie innemen) heeft bij de groep.

Maar de leider heeft met verschillende typen mensen in zijn groep te maken. Niet iedereen wordt op eenzelfde manier gemotiveerd. “Aan de hand van functionele MRI-scans kun je vastleggen wat er in de hersenen plaatsvindt”, vertelt Seesink. “Mensen hebben verschillende ‘aan- en uitknoppen’. De kunst van leiderschap is de juiste aan- en uitknop van de ander te kunnen vinden.”

Sommige mensen worden vooral gemotiveerd door beloning. Dit correspondeert met de accumbens in de hersenen, het gebied dat ook in verband wordt gebracht met verliefdheid en verslaving. Andere mensen laten zich vooral sturen door de amygdala, het zogenaamde angstcentrum. Deze mensen worden gemotiveerd door datgene wat hen veiligheid oplevert. Tot slot is er een groep mensen die vooral door sociale interactie gemotiveerd wordt. Dit wordt in de hersenen in de premotorische schors gelokaliseerd.

Daniel Seesink betoogt dat er in biologische zin maar drie redenen zijn die menselijk gedrag sturen: beloning, angst of sociale interactie. Het heeft weinig zin om een sociaal gemotiveerde werknemers met een beloning tot bepaald gedrag proberen aan te zetten. Een succesvolle leider weet bij wie hij op welke ‘knop’ moet drukken.

“Net als bij de apen, draait het bij mensen in een groep letterlijk en figuurlijk om een veilige omgeving”, stelt Seesink. In zo’n veilige omgeving voelen medewerkers zich vrij om elkaar aan te spreken op gedrag. En liefst in het openbaar, “Waarbij je natuurlijk kritiek wel positief moet blijven formuleren.” 

Maar hoe ontdek je de biologische motivatie van je collega’s? Volgens Seesink kan ‘professioneel vlooien’ hierbij een uitkomst bieden. “Ga eens vaker de dialoog aan met mensen, maak eens een praatje met iemand over zijn of haar interesses. Op die manier ontstaat een vertrouwensband.” Het vlooien kan natuurlijk ook met branchegenoten: een volgende VOTOB-ledenvergadering biedt hiervoor zeker gelegenheid.

 

 

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Waardevol

Ruimte voor tankopslag in Zeeuwse coalitieplannen

Vertegenwoordigers van VOTOB brachten onlangs een bezoek aan de Zeeuwse gedeputeerden Roeland Goos (SGP) en Kees Bierens (VVD). In de beleidsplannen van de nieuwe provinciale coalitie zal onder meer de bereikbaarheid van de havens – vanaf de zee en vanaf het land – aandacht krijgen.

De gedeputeerden Goos en Bierens zijn overtuigd van het belang van de tankopslagsector voor de Zeeuwse economie. Tankopslagbedrijven zoals Vesta in Vlissingen en Oiltanking Terneuzen investeren enorme bedragen in Zeeland, waarmee ze direct en indirect voor werkgelegenheid zorgen. Ondanks de economische tegenwind grepen zij juist deze periode aan om te bouwen aan de toekomst en investeerden zij tientallen miljoenen euro’s.

Tankopslag toonaangevend
Bij het creëren van werkgelegenheid gaat het niet alleen om de mensen die – bijvoorbeeld als procesoperator – op een tankterminal werken, maar ook om alle mensen die bij het opslagproces betrokken zijn als contractors, of die werken in de transportsector: op zeeschepen, binnenvaartschepen, railwagons of vrachtauto’s. Terminals maken uitgebreid gebruik van contractors voor onderhoud en uitbreiding en vormen een belangrijke spin in het logistieke web; jaarlijks doen tal van zeeschepen, lichters, railwagons en vrachtwagens de terminals aan.

Coalitieakkoord
Na de Provinciale verkiezingen is in Zeeland een coalitie gesmeed tussen CDA, VVD, SGP en PvdA. De partijen die het nieuwe dagelijks bestuur van de provincie gaan vormen, hebben aangekondigd op 3 juli met een coalitieakkoord naar buiten te komen, waarin de belangrijkste beleidsaccenten genoemd worden. Een langetermijnvisie voor de industrie, zoals de tankopslag, is van groot belang voor Zeeland.

Voor bedrijven in de tankopslagsector is het van groot belang dat de Provincie Zeeland meer aandacht gaat besteden aan een goede ontsluiting van de havens, zowel van de zeezijde als van de landzijde. Een algemeen punt van zorg is de kwetsbaarheid van het Zeeuwse wegen- en spoornet. Bij gebrek aan goede alternatieven leidt een ongeval op de A58, de Westerscheldetunnel of op het spoor onmiddellijk tot grote vertragingen in de logistieke stromen en in het woon-werk verkeer. Ook de toegang via het water, waarbij vooral voldoende diepgang belangrijk is, is cruciaal omdat er steeds grotere schepen worden ingezet.

Daarnaast is het voor de bedrijven van groot belang dat er geen wildgroei aan verschillende regels op het gebied van milieu en veiligheid ontstaat, maar dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de geldende internationale (Europese) wetgeving op het terrein van milieu en veiligheid.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Veilig

VOTOB en VOMI bieden Safety Deal aan

Het gezamenlijke initiatief van brancheverenigingen VOTOB en VOMI om de de veiligheid in de opslagketen te verbeteren, is vandaag bekrachtigd door staatssecretaris Wilma Mansveld. De bewindspersoon zegde op 1 juni steun toe om het plan uit te voeren.

Binnen de branches wordt er hard gewerkt om het algemene veiligheidsniveau van de aangesloten bedrijven te vergroten. Maar er zijn grenzen aan wat een branche in zijn eentje kan doen: de tankopslagbranche functioneert niet in een vacuüm, maar heeft voortdurend te maken met (onder-) aannemers en andere ketenpartners die ook een rol spelen in de veiligheid. De Safety Deal die VOTOB samen met VOMI (dienstverlenende bedrijven in de procesindustrie) heeft gesloten, is een logische stap om ook in de keten het veiligheidsniveau te verbeteren.

VOTOB en VOMI zijn trots dat deze Safety Deal door staatssecretaris Mansveld van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, is uitgekozen als een van de zes voorbeeldprojecten. “We zetten door middel van onze Safety Maturity Tool al jaren in op het generiek verbeteren van de veiligheid in de sector. Samen met VOMI gaan we nu ook brancheoverstijgend aan de slag”, aldus VOTOB-directeur Sandra de Bont.

Onder de noemer ‘Samen veilig werken in de keten’ worden de plannen ontvouwd. Tegelijkertijd geeft het voorstel van VOTOB en VOMI ook invulling aan de vierde pijler van het programma Veiligheid Voorop en beantwoordt het de aanbeveling van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) die in haar rapport over Odfjell bedrijven verzocht om “concrete betekenis en invulling aan ketensamenwerking en ketenverantwoordelijkheid te geven.”

Het programma Veiligheid Voorop stimuleert chemiebedrijven en hun ketenpartners om (gezamenlijk) hun veiligheidsperformance en veiligheidscultuur op een hoger peil te brengen. Ze delen kennis en methoden van aanpak  die veiligheid bevorderen en hebben aandacht en zorg voor het veiligheidsaspect bij de ketenbedrijven waarmee zij samenwerken en zaken doen.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Veilig

VOTOB denkt mee met vernieuwing PGS29

Deze zomer zal een nieuwe versie van PGS29 het licht zien. Vóór die tijd moet de voorzitter van de revisiewerkgroep PGS29, Margit Blok, nog wel een paar meningsverschillen uit de weg ruimen. Bijvoorbeeld over de risicomethodiek en de maatgevende criteria bij incidentbeheersing.

In december 2005 brak er op de Buncefield olieterminal in Groot-Brittannië een grote brand uit met rookwolken die tot in Frankrijk zichtbaar waren. Het kostte de brandweer vijf dagen om de enorme brand te bedwingen. Naderhand werden de oorzaken van de ramp duidelijk: diverse veiligheidsvoorzieningen hadden gefaald, waaronder de hoogteniveaumeters en het bijbehorende alarmeringssysteem. De resultaten van het Britse onderzoek waren in Nederland aanleiding om in 2008 de Richtlijn voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks (PGS29) aan te passen.

Kort na de aanpassing van de richtlijn PGS29 bleek echter dat er nog altijd onduidelijkheid bestond over de eisen aan bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks. De complexiteit van de richtlijn leidde tot interpretatieverschillen, wat een ongelijk speelveld opleverde. Daarom volgde kort op de herziening van 2008 een nieuwe revisieronde.

Sinds 2008 is de actualisatie en het beheer van de zogenoemde Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) door de rijksoverheid overgedragen aan een zelfstandige beheersorganisatie. Bedrijfsleven en overheden zorgen binnen deze organisatie gezamenlijk voor de inhoud van de publicaties. De publicaties geven aan welke voorschriften en criteria de overheid – op basis van de stand van de techniek – kan toepassen bij vergunningverlening aan bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken.

De revisiewerkgroep PGS29 houdt zich sinds 2013 bezig met de nieuwe revisie van de richtlijn voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks (PGS29). VOTOB is nauw betrokken bij deze revisie. In elke werkgroep zit een vertegenwoordiger van de VOTOB en VOTOB heeft de voorzitter geleverd voor deze werkgroep, namelijk Margit Blok (directeur HSE bij VTTI).

Het is voor tankopslagbedrijven niet altijd geheel duidelijk aan welke eisen ze moeten voldoen bij de opslag van brandbare vloeistoffen. Ook binnen de werkgroep PGS29 komen interpretatieverschillen aan het licht. ‘’Eén van de moeilijkste discussiepunten bij de herziening van PGS29 is de vraag wat een ‘maatgevend scenario’ is”, vertelt Margit Blok. “Wat geldt als ‘maatgevend’ bij een incident? Op welk type incidenten moeten we precies voorbereid zijn? Vinden we het acceptabel om een tank gecontroleerd te laten uitbranden?”

Een ander punt van discussie is het identificeren van een voor alle partijen acceptabele risicomethodiek. Margit Blok: “Stel je hebt een huis van drie verdiepingen, ben jij als huiseigenaar verplicht om uit voorzorg een brandladder aan de buitenkant van je huis te bevestigen? Of kan je op een andere manier het risico voldoende reduceren, zoals door in elke kamer een rookmelder bevestigen?”

Het concept wordt deze zomer gepubliceerd voor commentaar. “Dan krijgen alle partijen nog de gelegenheid om een reactie te geven”, aldus Margit Blok.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Educatief

Tieners snuffelen rond

Het zijn operators en vooral onderhoudstechnici waaraan industriële bedrijven in de Rotterdamse haven behoefte hebben. Maar strenge veiligheidseisen maken het moeilijk om jongeren een snuffelstage te laten doen. Cees Alderliesten: “Eigenlijk zou er een plek moeten zijn waar tieners kunnen kennismaken met de industrie en rondbanjeren zonder dat ze rampen kunnen ontketenen.”

Cees Alderliesten houdt zich bij Deltalinqs bezig met allerlei arbeidsmarkt-vraagstukken. Deltalinqs is de Rotterdamse ondernemersvereniging voor de haven en het botlekgebied. “Zoals iedere ondernemersvereniging willen we vraagstukken zoveel mogelijk gezamenlijk oppakken. Het vergroten van de instroom van jonge arbeidskrachten is één van die thema’s.”

Het Rotterdamse havengebied geeft werk aan zo’n 85.000 à 90.000 mensen, dat is heel wat, vindt ook Alderliesten. “Dit omvat alle haven-gerelateerde bedrijven, de overslag, alles wat met laden en lossen te maken heeft, de distributie, en alle industrie die ook in de haven gevestigd is, zoals het petrochemisch cluster.”

Haven groeit nog altijd
Ondanks de jarenlange economische crisis, groeit de Rotterdamse haven nog altijd. Alderliesten: “Het tekort aan mensen met een technische opleiding, blijft, en dan gaat het om hbo’ers en om mbo’ers met niveau 3 en 4.” Elk jaar onderzoekt Deltalinqs de arbeidsmarktsituatie in de haven. “Jaarlijks komen er zo’n 2.000 à 2.500 nieuwe vacatures bij, verdeelt over de maritiem-logistieke sector en de  industrie. Bijna de helft van alle vacatures kan door gediplomeerde schoolverlaters worden ingevuld. Maar zolang het aantal jongeren die met een diploma van de opleidingen afkomen niet toereikend is om de vacatures op te vullen, stapelt het tekort aan vakkrachten zich dus op.”

Al beginnen op de basisschool
Eén van de dingen waar Deltalinqs zich daarom mee bezig houdt, is de promotie van het gehele haven industrieel complex. “Op de basisschool hebben ze wel een projectweek over de tachtigjarige oorlog, maar het gemiddelde Rotterdamse schoolkind is weinig met de haven bezig”, zegt Alderliesten. “Daarom hebben we, onder de naam PortRangers, een havenprojectweek voor kinderen op de basisschool ontwikkeld.”

De tekorten zijn vooral nijpend bij het de chemie en de petrochemie, stelt Cees Alderliesten. Het moeilijkst aan te werven zijn goede onderhoudstechnici (maintenance). Om meer mensen hierin  opgeleid te krijgen, werkt Deltalinqs samen met drie MBO-instellingen: het Scheepvaart en Transport College, Albeda en Zadkine. “Het vak onderhoudstechnicus wordt vaak nog een beetje minderwaardig beschouwd, hoewel het intussen echt een volwaardig vakgebied is geworden. Bedrijven hebben voor miljoenen aan installaties staan, een goed onderhoud daarvan levert geld op.”

Vanwege de strenge veiligheidseisen bij veel bedrijven, is het moeilijk om jonge mensen een kijkje in de keuken te laten nemen. Onder de 18 jaar mag je vaak niet eens op het terrein van chemische plant komen. Dat maakt het dus extra lastig om jongeren voor de sector te interesseren.

De haven komt naar je toe
Alderliesten: “We verzinnen dus andere dingen om leerlingen in contact te brengen met het haven industrieel complex: bijvoorbeeld de ‘Dag van de chemie’, de ‘Wereldhavendagen’ en de ‘Week van de procestechniek’. Daarnaast hebben we het Educatief Informatie Centrum in Rozenburg, waar jongeren op een speelse manier kunnen kennismaken met de havenbedrijven.” Overigens merkt Alderliesten op dat het afgelopen jaar aan de ‘Dag van de chemie’ maar drie Rotterdamse bedrijven meededen. “Dat vind ik toch wel raar voor bedrijven die een imagoprobleem hebben.”

Deltalinqs onderzoekt nu de haalbaarheid voor het realiseren van een ‘oefenfabriek’ op de RDM Campus. Het idee is om hiermee een realistische leeromgeving te maken voor leerlingen. “Tegelijk zou dit een mogelijke plaats kunnen worden waar geïnteresseerde jongeren rondbanjeren en de industrie echt van dichtbij meemaken, zonder kans dat ze rampen ontketenen.”

Gedeelde verantwoordelijkheid
Een ander initiatief dat succesvol blijkt te zijn is de ‘carrière start garantie’. Een student die zijn opleiding succesvol doorloopt, krijgt een garantie op een stageplaats en op een startbaan in de sector.

Voor Cees Alderliesten is het belangrijk dat individuele bedrijven uit het havengebied de arbeidsmarktproblematiek niet op elkaar afschuiven en ook hun steentje bijdragen bij het aanbiede van stageplekken bijvoorbeeld. “Veel onderhoud is tegenwoordig uitbesteed aan gespecialiseerde onderhoudsbedrijven, maar dat wil niet zeggen dat je de verantwoordelijkheid voor personeelstekorten ook maar bij de contractor kunt neerleggen. En als het onderhoudsbedrijf een extra man die in opleiding is, wil meenemen, dan moeten havenbedrijven daar niet moeilijk over doen. Het is in ieders belang dat we genoeg nieuwe aanwas hebben.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Duurzaam

Elk jaar weer laaghangend fruit

In 2012 liet de tankopslagsector een energiebesparing  van  213 TJ  zien ten opzichte van het basisjaar 2008. Mart van Melick van Agentschap NL zet deze resultaten in de juiste context.

De tankopslagsector neemt al enkele jaren deel aan de meerjarenafspraken op het gebied van energie-efficiency. De cijfers laten zien dat het totale energieverbruik in de tankopslag in 2012 (2.349 TJ) ongeveer  op een zelfde niveau ligt als in 2011. Mart van Melick is bij AgentschapNL één van de teamleden die de tankopslagsector langs de meetlat legt.

“Of het heeft opgeleverd wat de sector ervan verwachtte, dat is iets dat de branche eigenlijk zélf moet aangeven”, vindt Van Melick. “Een goed beeld van wat de besparingen hebben opgeleverd, levert ook argumenten aan om ermee door te gaan of ermee te stoppen.”

Jaarlijks stelt het tankopslagteam  een sectorrapportage samen, specifiek voor de tankopslagsector. Andere collega’s bij Agentschap NL houden zich met andere sectoren bezig. De sectorrapportage is een geaggregeerd overzicht van de gegevens die individuele bedrijven jaarlijks aanleveren. Om het succes van de meerjarenafspraken te meten, moet je de sectorrapportage daarom naast de eigen meerjarenplannen van VOTOB leggen.

Prominente plek in de organisatie
Van Melick merkt dat bedrijven hun prestaties op het gebied van energie-efficiency ook gebruiken als invulling van hun MVO-beleid (maatschappelijk verantwoord ondernemen). “Doordat je deelneemt aan de MJA, wordt het onderwerp energie  ook prominenter in de organisatie op de agenda gezet.. Dat vertaalt zich in personele zin: er worden mensen aangenomen die zich bezighouden met energiebesparing. Op die manier wordt het ook in de bedrijfsvoering verankerd. Zo krijg je gestructureerde aandacht voor energiebesparing.”

Dat verankeren van energie-efficiency-beleid was ook precies de opzet van de MJA. Van Melick: “Bedrijven die deelnemen, verplichten zich om binnen drie jaar een volledig energiezorgsysteem in te voeren, als onderdeel van hun milieuzorgsysteem. Daar rekenen we ze ook min of meer op af.” Als taken en verantwoordelijkheden binnen een bedrijf duidelijk zijn benoemd, dan is energiebesparing beter geborgd.”

Agentschap NL kijkt naar de cijfers die de bedrijven jaarlijks aanleveren, en baseert haar oordeel op deze gegevens. “Wij gaan niet ter plekke kijken of die cijfers wel kloppen, maar we bezoeken  wel regelmatig  de bedrijven, om voeling met de sector te houden. Ik wil gewoon weten wat er speelt, juist om facilitering op maat te kunnen leveren.”

Basis is vertrouwen
“De basis van het convenant is wederzijds vertrouwen. We nemen aan dat de cijfers die de bedrijven aanleveren, kloppen, de Meerjarenafspraken werken op dit punt  anders dan wetgeving. De cijfers die de bedrijven aanreiken, moeten kloppen met wat ze werkelijk doen. Soms zie je dat er onredelijke besparingen worden opgevoerd. Dan nemen wij de telefoon even om te kijken wat er aan de hand is. Niet met de insteek ‘ze zijn de kluit aan het belazeren’, maar met de vraag of er misschien ergens een fout ingeslopen is.  Het overall beeld laat toch goed zien wat bedrijven feitelijk aan het doen zijn.”

Met alle deelnemers aan de twee huidige energieconvenanten, MJA3 en MEE wordt zo’n 80% van het industriële energieverbruik bestreken. Het grootste deel van het midden- en kleinbedrijf valt buiten de convenants afspraken en hebben in plaats daarvan met de Wet Milieubeheer te maken. Het concept MJA gaat intussen al meer dan  twintig jaar mee: zijn intussen alle renderende besparingsmaatregelen niet allang genomen? Hoe lang kan zo’n convenant nog blijven werken?

Van Melick: “Soms zegt men wel eens dat al het ‘laaghangend fruit’ al geplukt is, maar kenmerkt van fruitbomen is juist dat er elk jaar weer nieuw fruit aangroeit. Bij stijgende energieprijzen en   en zich aandienende nieuwe  technieken ontstaan  telkens weer nieuwe mogelijkheden voor energiebesparingen biedt. Het is geen statisch geheel, de bedrijven zijn voortdurend in beweging.”

Lessen voor  VOTOB
Agentschap NL kijkt niet alleen naar de tankopslag, maar naar alle industriële sectoren. Is er iets dat de tankopslag van de anderen zou kunnen leren? Mart van Melick: “In het algemeen zou je kunnen zeggen dat VOTOB-leden de keuken wat meer voor elkaar zouden kunnen opengooien. In bijvoorbeeld  de rubber- en kunststofindustrie zie je dat de sector maximaal voordelen haalt uit kennisdeling  en door onderlinge samenwerking  Het heeft iets met de bedrijfscultuur te maken dat dat bij VOTOB lastiger is. Maar in mijn ogen liggen hier nog  aantrekkelijke  kansen.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Safety Maturity Tool | Nieuws | Veilig

Safety Maturity Tool: de hardware

VOTOB-lidbedrijven hebben hun hardware behoorlijk goed op orde, maar Kiwa-inspecteur Eef Nauta drukt bedrijven op het hart dat hardware méér is dan alleen tanks. “De leidingen verdienen dezelfde aandacht en het liefst komen alle lijntjes bij één persoon samen.” Nauta voerde in het kader van de Safety Maturity Tool de hardware-audit uit.

Ook al maakt hij een doorgewinterde indruk, Eef Nauta begon pas vorig jaar maart als teamleider olie, gas en chemische installaties bij certificeringsorganisatie Kiwa. “Daarvoor zat ik 29 jaar bij Shell, waarvan 23 jaar bij de inspectiedienst van het bedrijf.”

Eef Nauta houdt van technische uitdagingen: “Ik ben van oorsprong werktuigkundige, ik ben ooit nog begonnen in de koopvaardij.” Bij Shell deed Nauta de laatste tijd zelf weinig inspecties meer. Zijn werk bestond vooral uit het bijhouden van kwaliteitszorgsystemen en verzorgen van trainingen voor collega’s. “Ik was daar toch de oude, ervaren inspecteur, de ‘lieve Liza’ bij wie iedereen met z’n technische vragen terecht kon.”

Zeldzame zelf-audit
In opdracht van VOTOB voerde Nauta het hardware-gedeelte van de Safety Maturity Tool (SMT) uit. Met een kritisch oog bekeek hij talloze tanks, leidingen en drukvaten. Zo’n uitgebreide zelf-audit kwam Eef Nauta nog niet eerder bij een branche tegen. “Je ziet het wel bij grote multinationals, bij Shell of Esso. Die doen dan eens in de zoveel jaar een Focused Asset Integrity Review.”

Eef Nauta: “Ik vind het een goed idee dat VOTOB-leden zo’n SMT uitvoeren. Het maakt heel snel inzichtelijk waar de aandachtspunten liggen. In het algemeen hebben de tankopslagbedrijven het qua tanks goed voor elkaar. Ik heb maar weinig terminals gezien waarbij er moeilijkheden waren.”

Problemen lagen niet zozeer bij tanks, maar eerder bij andere keurplichtige apparatuur, zo constateerde Nauta. “Ook het leidingwerk en drukapparatuur ben je verplicht om eens in de vier of zes jaar te inspecteren. Sommige bedrijven brengen dit onder bij de HSE-persoon, andere bedrijven bij de onderhoudsafdeling. Het viel me op dat deze informatie vaak niet makkelijk boven water te krijgen was. Het wás er wel, maar soms moesten ze er lang naar zoeken.”

Inzicht met één druk op de knop
Volgens Nauta zou alle kennis over inspecties van hardware bij één persoon neergelegd moeten worden, en liefst ook nog bij iemand die onafhankelijk is van het productieproces. “Het ligt nu te veel op verschillende plekken en bij mensen die druk met andere dingen bezig zijn. Van inspectie wordt vaak gedacht ‘het kost geld’, maar op den duur bespaart het echt geld. Idealiter kun je met één druk op de knop een overzicht geven van alle assets en wanneer ze geïnspecteerd moeten worden.”

Kiwa zou op dit vlak ook diensten kunnen aanbieden, meent Eef Nauta. “We zouden bedrijven kunnen helpen om een inspectie coördinatiesysteem neer te zetten voor terminals. Inspectie is echt iets anders dan onderhoud. Bij een inspectie weet je niet alleen of een tank voldoet, maar ook wanneer je wettelijk verplicht bent om opnieuw te inspecteren en dat alles in afstemming met de operationele en onderhoudsafdeling.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Duurzaam

Vanaf 2015 verbod op ontgassen

Benzeen is, zoals bekend, een kankerverwekkende stof. Het was dan ook niet verrassend dat de overheid recent tot een uitstootverbod besloot. Branchevereniging VOTOB vindt echter wel dat zo’n verbod technisch haalbaar en handhaafbaar moet zijn. Dát er een verbod op ‘ontgassen’ zou komen, stond voor Sandra de Bont (directeur VOTOB) wel vast.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Innovatief

De innovatieve vonk laten overspringen

Wat als je het gevaarlijke en langdurige schoonmaakwerk in tanks door robots in plaats van mensen zou kunnen laten uitvoeren? Kennisplatform iTanks wil deze fantasie op korte termijn werkelijkheid laten worden. Cor van de Linde is directeur van iTanks.

Stofzuigrobots en grasmaairobots zijn intussen al helemaal ingeburgerd, maar het schoonmaken van tanks heeft een extra moeilijkheidsgraad: vanwege explosiegevaar mag een robot in zo’n omgeving geen elektronica bevatten. Oftewel, zo’n schoonmaakrobot moet geschikt zijn voor een ATEX 0-stituatie. “We zijn nu bezig met een try-out van een robot die via glasvezel en sensoren te besturen is. Dit is wel patent-waardig”, aldus Van de Linde. De bedrijven Enigma en Conceptron Engineering ontwierpen de robot, een ‘lopend’ onderstel waarop verschillende toepassingen geplaatst kunnen worden: een spuitinstallatie, een zuiginstallatie of meetinstrumenten.

Het kennisplatform was oorspronkelijk een initiatief van Maasvlakte Olie Terminal (MOT), waar Cor van de Linde voorheen werkzaam was als technisch directeur. Begin dit jaar maakte Van de Linde de overstap van MOT naar iTanks. “Er kwamen steeds meer verzoeken vanuit de MOT-aandeelhouders, vanuit BP, Shell, Total, Vopak, over kennismanagement en innovatie, bijvoorbeeld ‘Hoe kun je een goed onderhoudsconcept ontwikkelen voor een nieuwe terminal?’ Aanvankelijk ben ik binnen MOT gestart met het uitwerken van dit soort vragen. Al gauw bleek echter dat het slimmer was om een onafhankelijke stichting op te richten. In januari 2012 hebben we de stichting iTanks opgericht. Op die manier komen de innovaties ten goede aan alle deelnemende partners en niet alleen aan één aandeelhouder.”

Pitches en masterclasses
Intussen heeft het kennisplatform iTanks nu 65 partners, waaronder ook VOTOB-leden Standic, VTTI en Vopak, NOVA Terminals en natuurlijk Maasvlakte Olie Terminal. Voor innovaties kijkt Cor van de Linde vooral naar MKB-bedrijven. “We werken met sponsorabonnementen”, aldus Van de Linde, “de twee grootste sponsoren zijn het Rotterdams Havenbedrijf en de Rabobank.”

“Er worden bijvoorbeeld innovaties in andere bedrijfstakken ontwikkeld die we ook in de tankopslag kunnen toepassen. Als stichting zorgen we ervoor dat degene die een product of een proces ontwikkeld heeft, in contact komt met investeerders of subsidies zodat het idee ook echt kan worden toegepast. MKB’ers verzinnen vaak nieuwe dingen ten behoeve van asset owners, maar weten niet altijd hoe ze die vindingen aan de man moeten brengen. Wat iTanks verder doet is ervoor zorgen dat bedrijven de innovaties ook daadwerkelijk gaan gebruiken. Dat kunnen wij natuurlijk niet garanderen, maar door het uitgebreide netwerk dat we hebben, is de kans wel groot dat een innovatie daadwerkelijk toepassing vindt.”

iTanks verzint verschillende manieren om de innovatieve vonk te laten overspringen. Zo worden er door de stichting brainstormsessies, innovatieve pitches, case studies en master classes georganiseerd.

Slimmere stellingen
Voorbeelden van innovaties heeft Cor van de Linde te over: “Zo hebben we een stellingbouwer die een innovatie heeft ontwikkeld waardoor veel goedkoper gewerkt kan worden door middel van magneten. Zo’n bedrijf werkt meer op persoonlijke basis met klanten; wij hebben suggesties gegeven voor business to business marketing zodat de innovatie breder toegepast kan worden.” Een andere innovatie betreft lastoortsen. Bij het lassen wordt vaak roet ingeademd, daarom is afzuiging belangrijk. In samenwerking met TNO heeft het bedrijf Translas een systeem voor bronafzuiging ontwikkeld, die veel gezonder is voor lassers. Van de Linde: “De marktintroductie van dit product gaat in oktober plaatsvinden.”

Dat de economische groei de laatste jaren achterblijft, is voor dit soort innovaties geen slecht nieuws. “Als de bomen tot in de hemel groeien, bestaat er eigenlijk weinig behoefte aan slimme vindingen waarmee je geld of energie kunt besparen”, weet Van de Linde. “Daarbij komt dat bedrijven bijna altijd tekort aan technisch personeel hebben. Minder mensen betekent dat je het slimmer en efficiënter moet doen.”

Samen met TU Delft en RDM campus
Cor van de Linde heeft zelf een opleiding genoten als werktuigbouwkundige en deed later nog een bedrijfskundige opleiding met het specialisme ‘change management’. Van tevoren had hij het nooit kunnen bedenken, maar in zijn huidige functie als directeur van iTanks komen al zijn interesses bij elkaar. iTanks is onder zijn leiding al uitgegroeid tot een platform waarbij intussen meer dan 40 bedrijven zijn aangesloten.

“Onze focus ligt op veiligheid, duurzaamheid en efficiency”, antwoordt hij op de vraag waar iTanks zich de komende jaren op zal gaan richten. “Als ik zie hoe de samenwerking met TNO is, dan verwacht is daar veel van. In de nabije toekomst willen we ook meer gaan samenwerking met onderwijsinstellingen, met de TU Delft en de RDM campus. Over tien jaar is iTanks de innovatieve motor van de Rotterdamse haven, waar allerlei innovaties en nieuwe producten vandaan komen.”

 

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Waardevol

Minerale oliën snelste groeiers in 2030

Van welk toekomstscenario je ook uitgaat, de op- en overslag van natte bulk blijft een groeimarkt. Dat staat te lezen in het strategiestuk Port Compass, de havenvisie voor 2030 die door het Havenbedrijf Rotterdam samen met de gemeente Rotterdam, diverse Ministeries en Deltalinqs is opgesteld.

Om de economische ontwikkelingen telkens een stap voor te kunnen zijn, moet je je verdiepen in trends en scenario’s. Gaat de olieprijs door het plafond of juist niet? Hoe ontwikkelen de grootste concurrenten van de Rotterdamse haven zich? Wat betekenen veranderingen in mondiale goederenstromen voor de haven?

Het strategiestuk onderzoekt eerst alle trends die raken aan het havenindustrieel complex en schetst vervolgens twee visies: de haven als ‘Global Hub’ en als ‘Europe’s Industrial Cluster’. De belangrijkste trends zijn volgens het Port Compass: de verschuiving van het zwaartepunt van de wereldeconomie, grondstoffenschaarste, internationalisering van de arbeidsmarkt, schaalvergroting van transportmiddelen, integratie van logistieke ketens, slimmere ICT systemen, en een veranderende brandstofmix in Europa.

Naar 750 miljoen ton overslag
Voor de overslag wordt verwacht dat in 2015 de grens van 500 miljoen ton bereikt zal worden. “Dit maakt dat het Havenbedrijf en het havenbedrijfsleven de overtuiging hebben dat de haven zich moet voorbereiden op een overslag van 675 tot 750 miljoen ton in 2030.” Nat massagoed blijft voor de Rotterdamse haven een belangrijke groeimarkt.

“De positionering van Rotterdam in het nat massagoed blijft ongewijzigd sterk: voor ruwe olie blijft de hub-positie onaangetast door het bestaande pijpleidingennetwerk (naar onder andere Antwerpen, Moerdijk en het Ruhrgebied) gecombineerd met de diepgang en opslagcapaciteit in Rotterdam. Minerale olieproducten hebben de grootste groeipotentie.” Dit heeft alles te maken met de toekomstige Shtandart Terminal, die vanaf eind 2016 als hub voor opslag en doorvoer van Oeral ruwe olie en olieproducten zal fungeren.

De verladers (zowel de verschepers als de ontvangers) worden volgens het Port Compass steeds belangrijker. “Grote verladers gaan meer en meer hun stempel drukken op de logistieke keten. Stuwende factoren hierachter zijn efficiëntie en kosten, maar vooral ook betrouwbaarheid en duurzaamheid. Verladers kijken naar de kwaliteit en de kosten van de totale logistieke keten en niet alleen naar het maritieme gedeelte.”

Global Hub, dus opslag
Uit het Port Compass spreken twee belangrijke ambities: Rotterdam wil in 2030 een Global Hub worden voor container-, brandstof- en energiestromen en Rotterdam wil tegelijk Europa’s grootste industriële complex worden. De ‘Global Hub’-doelstelling heeft natuurlijk belangrijke consequenties voor de tankopslag.

Het rapport voorziet dat de groei van intermodaal vervoer ervoor gaat zorgen dat de schaarse ruimte in de Rotterdamse haven beter benut kan gaan worden. “Inland hubs vanwaar de lading naar kleinere intermodale terminals wordt getransporteerd, gaan zich ontwikkelen als een toegangspoort voor de haven.”

Om de ambities waar te kunnen maken, moet de haven echter meer ruimte gaan bieden. Ruimte voor groei in het aantal containers, voor ontwikkelingen in het energiecluster, voor de ontwikkeling van Rotterdam Fuel Hub, voor stadshavens en voor het petrochemisch cluster. En tot slot: “Het tempo van plan- en besluitvorming moet omhoog, bij alle partijen. Versnellen is het credo als het gaat om de realisatie van deze visie.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Waardevol

Groeien tot 125 miljoen ton overslag

De Amsterdamse haven wil in 2040 leidend worden op het gebied van biofuel. Gedeputeerde Elisabeth Post wil een goede balans vinden tussen werken, wonen en recreatie. “En Nederland als belangrijkste havenregio ter wereld etaleren.”

Niet alleen in Rotterdam, ook in Amsterdam neemt het havengebied een prominente plaats in de economie in. Miljoenen tonnen goederen worden in de ‘Port of Amsterdam’ overgeslagen, waaronder kolen, benzine en cacao. De haveneconomie heeft van oudsher z’n plek in en rond Amsterdam, maar tegelijk rukt de verstedelijking op. Hoe zorg je dat de verschillende functies rondom het Noordzeekanaal elkaar niet bijten?

In een recent visiedocument voor het gehele Noordzeekanaalgebied (visie NZKG) wordt een tipje van de sluier opgelicht wat betreft de gewenste koers. Gedeputeerde Elisabeth Post: “We wilden in deze visie invulling geven aan een duurzame toekomst. In het plan voor 2040 moet daarom ruimte zijn voor de energietransitie.”

“Natuurlijk zijn de Rotterdamse haven en de Amsterdamse haven niet vergelijkbaar, qua omvang is Rotterdam natuurlijk een andere categorie. Tegelijkertijd zijn wij in Amsterdam de grootste cacaohaven en zijn we het grootst in value added logistics.”

Wonen en werken in de Zaanstreek
“De grote winst van de visie voor het Noordzeekanaalgebied is dat we -juist doordat we er samen met de Provincie, gemeenten, bedrijven en het ministerie aan gewerkt hebben – nu ook met z’n allen het economisch belang van de regio onderschrijven. We willen zoveel mogelijk zekerheden bieden aan bedrijven die zich hier gevestigd hebben: als je hier gevestigd bent, dan willen we dat je er ook in de toekomst kunt blijven zitten, ook als uitbreiding aan de orde is.”

Daarbij tekent Post wel aan dat absolute zekerheid natuurlijk nooit gegeven kan worden. “Op sommige plekken, in de Zaanstreek bijvoorbeeld, zitten de functies wonen en werken wel heel dicht tegen elkaar aan. Dan moet je per geval kijken wat de optimale benutting van de ruimte is.” 

De schrijvers van het visiedocument, onder leiding van de Commissaris van de Koning in de Provincie Noord-Holland Johan Remkes, zien voor de Amsterdamse haven vooral perspectief op het gebied van containers, biofuel en cruises.  Doelstelling is om de overslag te laten stijgen tot 125 miljoen ton op het bestaande areaal. De aanleg van de tweede zeesluis, waar Gedeputeerde Post zich sterk voor maakt, past hierin uitstekend.

Misschien uitbreiding in Houtrakpolder
Duurzame benutting van de aanwezige ruimte is volgens het visiedocument de leidraad. In eerste instantie gaat de provincie er dus vanuit dat er geen nieuw havenareaal ontwikkeld hoeft te worden. Mocht er toch vraag ontstaan naar nieuw havengebied dat is het noordelijk deel van de Houtrakpolder daarvoor gereserveerd (ten westen van de Afrikahaven en Ruigoord).

Elisabeth Post: “Het interessante is dat deze visie onderdeel is geworden van de nationale havenvisie van het kabinet. We zijn ook steeds in contact met de haven van Rotterdam. In Nederland gaat het om de vraag: hoe kun je elkaar versterken. We moeten in zo’n klein land geen energie verspillen aan het beconcurreren van elkaar. Er zijn tal van bedrijven die vestigingen hebben in alle Nederlandse havens. Ons doel is om Nederland als belangrijkste havenregio van de wereld te etaleren.”

Op 23 september 2013 werd door de Provinciale Staten van Noord-Holland de visie Noordzeekanaalgebied 2040 vastgesteld.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Safety Maturity Tool | Nieuws | Veilig

Joop Atsma: transparantie belangrijk

“De tankopslag heeft me echt verrast.” Voormalig milieu-bewindsman Joop Atsma vond de sector voorheen nogal ‘naar binnen gekeerd’; nu is hij gegrepen door de drive en de dynamiek van de tankopslagbedrijven.

Sinds januari 2014 is oud milieu-staatssecretaris Joop Atsma het gezicht van VOTOB. Volgens de werkgeversvoorman Wientjes was hij de ideale staatssecretaris, omdat hij niet alleen aan milieu, maar ook aan ondernemers dacht. Na enkele maanden als VOTOB-voorzitter is Atsma vooral onder de indruk van de betekenis van de sector voor de Nederlandse economie. “De tankopslag is bij het bredere publiek minder bekend, maar is van enorm belang. Ik zie het als mijn rol om dit belang beter duidelijk te maken.”

Joop Atsma is tegelijk verrast over de drive en de bevlogenheid die hij bij de VOTOB-leden aantrof. “Ik was erg verrast over wat de VOTOB-leden op poten hebben gezet, met de Safety Maturity Tool en andere tools om duurzaamheid en de veiligheid te vergroten. Dat was toch anders dan ik verwacht had. Als staatssecretaris van Milieu had ik de indruk dat de sector erg naar binnen gekeerd was. Door de gebeurtenissen in 2012 moest de sector wel naar buiten treden, aangezien de VOTOB-bedrijven onder een vergrootglas kwamen te liggen.”

Graag wat variatie
In de media werd er kritisch gereageerd op Atsma’s overstap naar VOTOB. De draai van milieu-staatssecretaris naar vertegenwoordiger van de tankopslag zou volgens sommigen te groot zijn. “Jammer”, vond Joop Atsma dit. “Maar eigenlijk was er maar heel weinig kritiek. De mensen vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, de uitvoerende diensten en vanuit de veiligheidsregio reageerden juist heel positief.”

Atsma is niet voor één gat te vangen. Behalve voor de tankopslag is hij actief voor ‘De Lotto’, voor het ijsstadion Thialf in Heerenveen en voor het Productschap Vee en Vlees. Lopen al die functies niet té ver uiteen? Joop Atsma: “Ik heb altijd gezegd dat ik me niet op één sector of branche wilde oriënteren. Dat heb ik in het verleden trouwens ook nooit gedaan. Ik houd gewoon van die variatie; ik ben geboeid door verschillende onderwerpen.”

Atsma vervolgt: “Het Productschap Vee en Vlees is overigens wel een beetje vergelijkbaar met VOTOB: de branche heeft met soortgelijke problemen te maken. Ik zat laatst bij Tjibbe Joustra (de voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid) en we konden gelijk van het onderzoek naar Odfjell naar het onderzoek in de vleessector overstappen. Er zijn zeker parallellen aan te wijzen: in beide sectoren wordt transparantie steeds belangrijker. Zowel in de tankopslag als in de slachterijen geldt dat het vertrouwen bij de toezichthouder en bij de burger moet worden verstevigd en dat transparantie de weg daar naartoe is.”

Voorkomen van geuroverlast
Omdat Joop Atsma een netwerker pur sang is, gaat het werk voor VOTOB ook in de weekenden gewoon door. “Afgelopen weekend sprak ik nog met Steven Lak, de voorzitter van Deltalinqs, over hoe we de sector positiever zouden kunnen profileren. De sector is namelijk niet alleen naar binnen gericht; een aantal politieke partijen zien de tankopslag liever gaan dan komen. Bedrijven moeten daar oog voor hebben, daarop inspelen. We moeten nóg duidelijker maken wie we zijn en wat de betekenis van de sector is.”

Als milieu-staatssecretaris stond Atsma erom bekend dat hij vond dat het bedrijfsleven de trekker moest zijn van het duurzaamheidsbeleid. Zal hij deze lijn als voorzitter van VOTOB verder uitvoeren? “De hele discussie rondom het ontgassen is een goed voorbeeld van de proactieve koers van de sector. Sommige leden hebben recent het idee geopperd om e-noses (elektronische neuzen) te introduceren om geuroverlast tegen de gaan. Daarmee laten we zien dat het niet alleen bij goede voornemens blijft.”

“Tegelijkertijd kun je nog zover vooroplopen; het beeld bij de buitenwacht zal altijd bepaald worden door degenen die achterblijven”, weet Atsma. “De tankopslag heeft er belang bij dat de bedrijven die niet voorop lopen, uiteindelijk ook meekomen. Mede dankzij de Safety Maturity Tool worden in dat opzicht enorme stappen gezet.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Duurzaam

Heel kleine kans op grote schade

Misschien worden Brzo-bedrijven binnenkort verplicht om zich tegen milieuschade te verzekeren. Advocaat Natalie Vloemans adviseert bedrijven om niet af te wachten tot er wetgeving aankomt, maar zélf alvast met verzekeraars in gesprek te gaan.

“Hoewel Brzo-bedrijven zelf verantwoordelijk zijn voor het in goede staat houden van bedrijventerreinen, komt het tóch voor dat overheden opdraaien voor de saneringskosten bij een faillissement.” Die conclusie trok Tweede Kamerlid Liesbeth van Tongeren in december 2013. In de motie die haar naam draagt, vroeg zij aan de regering te laten onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om Brzo-bedrijven zélf voor de saneringskosten te laten opdraaien.

De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) ging met de opdracht aan de slag. Aan het begin van de zomer kwam de raad met een advies over de mogelijkheden van financiële zekerheidsstelling voor aansprakelijkheid bij milieuschade.

Geen wijzigingen civiel recht
Advocaat Natalie Vloemans (Ploum Lodder Princen) kent de kwestie op haar duimpje. “Deze discussie over de verzekerbaarheid van milieuschade speelt al sinds 1989”, weet Vloemans. “Er zijn tientallen rapporten over het onderwerp verschenen, maar tot nu toe is er nooit concreet op geacteerd, in de zin van wijziging van het civiel recht. Ik krijg het gevoel dat men bedrijven toch niet echt durft te verplichten om zich tegen dergelijke risico’s te verzekeren.”

Probleem van Brzo-bedrijven is dat de kans op milieuschade misschien wel klein is, maar dat die heel kleine kans wel heel grote schade kan veroorzaken. Schade die vervolgens heel lastig te verhalen is op de veroorzaker. Dat is precies de reden waarom regering en parlement de invoering van wettelijke zekerheidsstelling voor Brzo-bedrijven overwegen.

Volgens de Rli kan zo’n financieel zekerheidsstelsel verschillende vormen hebben. Het zou een verplichte verzekering kunnen zijn, een concerngarantie, een bankgarantie of een onderling waarborgfonds. Van belang is dat zo’n financieel zekerheidsstelsel niet tot gevolg heeft dat bedrijven minder aan preventie gaan doen.

Verzekeraars krabbelen terug
Vloemans: “Aan een verzekering zou je voorwaarden kunnen koppelen, maar als een bedrijf het op een andere manier oplost, via een concerngarantie bijvoorbeeld, dan kun je daar als overheid geen voorwaarden aan stellen.”

Een andere lastigheid is dat verzekeraars uitsluitingsgronden gebruiken, die ervoor zorgen dat het risico alsnog bij de overheid kan neerslaan. “Naarmate het over meer abstracte risico’s gaat, bijvoorbeeld over nanotechnologie, krabbelen verzekeraars snel terug”, aldus advocaat Vloemans. Het is kortom niet zo eenvoudig om een oplossing voor deze problematiek te vinden.

Advocaat Vloemans adviseert VOTOB-leden daarom om in gesprek te gaan met verzekeraars en tussenpersonen. “Volgens mij is het goed om hierin een proactieve koers te varen. Je zou aan verzekeraars kunnen vragen of ze van plan zijn om een specifiek product hiervoor aan te bieden. Neem het initiatief en ga aan de voorkant meedenken met de verzekeraars. Wellicht zouden verzekeraars zelfs een product kunnen maken dat aan alle bedrijven aangeboden kan worden. Daarmee wordt de premie dan vanzelf ook weer lager.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Veilig

Votob schept duidelijkheid in overvulbeveiliging

Er zijn verschillende configuraties die gebruikt worden om een onafhankelijke overvulbeveiliging te realiseren. Samen met I-SZW heeft Votob gewerkt aan een serie afbeeldingen die de juiste en onjuiste maatregelen tegen overvullen in beeld brengen.

“De vraag of een bedrijf een onafhankelijke overvulbeveiliging heeft, is niet simpelweg met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden”, zegt Hennie Holtman (adviseur milieu en veiligheid bij Votob). “Die beveiliging bestaat namelijk uit een samenspel van verschillende technische componenten. Er zijn verschillende configuraties die een juiste manier van overvulbeveiliging vormen.”

Tijdens een workshop bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in 2016, kwam aan het licht dat er verschil van mening bestond tussen bedrijfsleven en inspectie over wat goede en onafhankelijke overvulbeveiliging precies inhoudt. Hennie Holtman: “Terwijl het bedrijf ervan overtuigd was de boel op orde te hebben, keurde de inspectie de overvulbeveiliging tóch af. Het leek me daarom goed om eens met een aantal mensen uit de tankopslag en een aantal van de inspectiediensten bij elkaar te gaan zitten om de verschillende configuraties door te spreken.”

Dit initiatief van Holtman leidde onlangs tot een visueel overzicht van alle technische methoden die gebruikt kunnen worden als ‘maatregelen tegen overvullen’. “Voordeel van dit overzicht is dat het in één oogopslag duidelijk is wat een goede manier van beveiligen is”, zegt Hennie Holtman. “Zo voorkomen we oeverloze discussies en zelfs rechtszaken. En bedrijven steken geen geld in beveiligingsmethoden die niet de goedkeuring van I-SZW hebben.”

 

Binnenkort zal het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zélf ook een mail uitsturen aan de betrokken industriepartijen om hen te informeren over de nieuwe visuele handleiding voor overvulbeveiliging. In de zomer van dit jaar zal I-SZW van start gaan met een nieuw toezichtsproject gericht op de maatregelen tegen overvullen van opslagtanks.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Educatief

VOTOB Academy: hoe rooster je medewerkers uit?

VOTOB Academy is een feit, elke week melden nieuwe studenten zich aan voor de opleiding of voor losse onderdelen daarvan. Die kennishonger bij hun medewerkers stelt tankopslagbedrijven voor nieuwe problemen: hoe maak je een passend werkrooster met al die studerende medewerkers? Nel Kranendonk (Rubis Terminals) weet wat het is om in de roosters hiermee rekening te houden.

“Momenteel hebben we twee mensen die de tweejarige opleiding procesoperator Tankopslag B doen en volgende maand begint er nog ééntje. Daarnaast zijn er twee medewerkers die een losse module volgen. Dat klinkt misschien niet veel, maar dat is toch tien procent van het totaal aantal werknemers bij Rubis”, vertelt Kranendonk.

Studeren gaat prima ’s nachts
Voor de studenten die de module volgen, geldt dat ze geen lessen hoeven te volgen. Daarom is het voor hen mogelijk om de studie in de rustige uurtjes te doen, bijvoorbeeld tijdens de nachtdiensten. Nel Kranendonk vertelt dat de teamleider hen dan helpt bij de leerstof. “Met overhoren bijvoorbeeld, dat gaat prima ’s nachts.” Voor de studenten die de volledige opleiding doen, is het anders: die moeten immers met een docent praktijkopdrachten op de terminal uitvoeren en kunnen dan niet tegelijkertijd aan het werk zijn.

“Ik probeer de shifts vier à vijf maanden vooruit te plannen, zodat de andere medewerkers weten dat ze op het moment van de lessen geen vrij kunnen nemen”, vertelt Kranendonk. Als de lesdag toevallig op een vrije dag valt, dan heeft de student ‘gewoon pech’. Tot nu toe heeft Nel Kranendonk nog geen problemen ondervonden met het uitroosteren van de studenten. “De eersten zijn op 1 maart begonnen, de eerste drie maanden zitten erop en het loopt op rolletjes.”

De jongens springen voor elkaar in
De reacties van de studenten zijn tot nu toe heel positief, alhoewel ze de studiedagen wel lang vinden, weet Kranendonk. “Maar het kost het bedrijf best een hoop geld om iemand eens in de twee weken een hele dag vrij te maken en het is tenslotte ook in ieders belang dat het kennisniveau van de medewerkers op peil blijft.”

Voor Kranendonk is het uiteindelijk simpel: “Als iemand naar school gaat, dan houd je daar gewoon rekening mee. Het is ook wel de mentaliteit van ons bedrijf dat de jongens voor elkaar inspringen als er één naar school gaat of ziek is. Bij Rubis werken, voelt toch een beetje als een familieband. Ik wil niet te zoetsappig klinken, maar mensen helpen elkaar gewoon.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Educatief

Vaker professioneel vlooien

Mensen voelen zich superieur aan andere apen, maar wat veiligheid en leiderschap betreft, kunnen wij heel wat leren van onze ‘familieleden’. De VOTOB Milieu- en Veiligheid-commissie trok daarom naar Dierenpark Amersfoort.

“Wat onze DNA-structuur betreft, zijn wij mensen méér verwant aan de chimpansee dan de chimpansees en de gorilla’s onderling.” Trainer Daniel Seesink (BewustZoo) is van oorsprong gedragsbioloog, maar helpt tegenwoordig bedrijven te kijken naar ‘bio-logisch’ leiderschap. Aan de hand van het gedrag van apen, kunnen wij onze samenwerking op de werkvloer beter begrijpen.

In het kader van Veiligheid Voorop schreef Daniel Seesink een essay over zijn biologische kijk op veiligheid en leiderschap. Wie de mensapen goed bestudeert ziet dat de positie van leidinggevende een hiërarchische positie is, maar wel een positie die de leider voortdurend moet zien te behouden. De leidinggevende is afhankelijk van het draagvlak dat hij of zij (bij de Bonobo’s zijn het niet de mannetjes, maar de vrouwtjes die de alfa-positie innemen) heeft bij de groep.

Maar de leider heeft met verschillende typen mensen in zijn groep te maken. Niet iedereen wordt op eenzelfde manier gemotiveerd. “Aan de hand van functionele MRI-scans kun je vastleggen wat er in de hersenen plaatsvindt”, vertelt Seesink. “Mensen hebben verschillende ‘aan- en uitknoppen’. De kunst van leiderschap is de juiste aan- en uitknop van de ander te kunnen vinden.”

Sommige mensen worden vooral gemotiveerd door beloning. Dit correspondeert met de accumbens in de hersenen, het gebied dat ook in verband wordt gebracht met verliefdheid en verslaving. Andere mensen laten zich vooral sturen door de amygdala, het zogenaamde angstcentrum. Deze mensen worden gemotiveerd door datgene wat hen veiligheid oplevert. Tot slot is er een groep mensen die vooral door sociale interactie gemotiveerd wordt. Dit wordt in de hersenen in de premotorische schors gelokaliseerd.

Daniel Seesink betoogt dat er in biologische zin maar drie redenen zijn die menselijk gedrag sturen: beloning, angst of sociale interactie. Het heeft weinig zin om een sociaal gemotiveerde werknemers met een beloning tot bepaald gedrag proberen aan te zetten. Een succesvolle leider weet bij wie hij op welke ‘knop’ moet drukken.

“Net als bij de apen, draait het bij mensen in een groep letterlijk en figuurlijk om een veilige omgeving”, stelt Seesink. In zo’n veilige omgeving voelen medewerkers zich vrij om elkaar aan te spreken op gedrag. En liefst in het openbaar, “Waarbij je natuurlijk kritiek wel positief moet blijven formuleren.” 

Maar hoe ontdek je de biologische motivatie van je collega’s? Volgens Seesink kan ‘professioneel vlooien’ hierbij een uitkomst bieden. “Ga eens vaker de dialoog aan met mensen, maak eens een praatje met iemand over zijn of haar interesses. Op die manier ontstaat een vertrouwensband.” Het vlooien kan natuurlijk ook met branchegenoten: een volgende VOTOB-ledenvergadering biedt hiervoor zeker gelegenheid.

 

 

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Waardevol

Ruimte voor tankopslag in Zeeuwse coalitieplannen

Vertegenwoordigers van VOTOB brachten onlangs een bezoek aan de Zeeuwse gedeputeerden Roeland Goos (SGP) en Kees Bierens (VVD). In de beleidsplannen van de nieuwe provinciale coalitie zal onder meer de bereikbaarheid van de havens – vanaf de zee en vanaf het land – aandacht krijgen.

De gedeputeerden Goos en Bierens zijn overtuigd van het belang van de tankopslagsector voor de Zeeuwse economie. Tankopslagbedrijven zoals Vesta in Vlissingen en Oiltanking Terneuzen investeren enorme bedragen in Zeeland, waarmee ze direct en indirect voor werkgelegenheid zorgen. Ondanks de economische tegenwind grepen zij juist deze periode aan om te bouwen aan de toekomst en investeerden zij tientallen miljoenen euro’s.

Tankopslag toonaangevend
Bij het creëren van werkgelegenheid gaat het niet alleen om de mensen die – bijvoorbeeld als procesoperator – op een tankterminal werken, maar ook om alle mensen die bij het opslagproces betrokken zijn als contractors, of die werken in de transportsector: op zeeschepen, binnenvaartschepen, railwagons of vrachtauto’s. Terminals maken uitgebreid gebruik van contractors voor onderhoud en uitbreiding en vormen een belangrijke spin in het logistieke web; jaarlijks doen tal van zeeschepen, lichters, railwagons en vrachtwagens de terminals aan.

Coalitieakkoord
Na de Provinciale verkiezingen is in Zeeland een coalitie gesmeed tussen CDA, VVD, SGP en PvdA. De partijen die het nieuwe dagelijks bestuur van de provincie gaan vormen, hebben aangekondigd op 3 juli met een coalitieakkoord naar buiten te komen, waarin de belangrijkste beleidsaccenten genoemd worden. Een langetermijnvisie voor de industrie, zoals de tankopslag, is van groot belang voor Zeeland.

Voor bedrijven in de tankopslagsector is het van groot belang dat de Provincie Zeeland meer aandacht gaat besteden aan een goede ontsluiting van de havens, zowel van de zeezijde als van de landzijde. Een algemeen punt van zorg is de kwetsbaarheid van het Zeeuwse wegen- en spoornet. Bij gebrek aan goede alternatieven leidt een ongeval op de A58, de Westerscheldetunnel of op het spoor onmiddellijk tot grote vertragingen in de logistieke stromen en in het woon-werk verkeer. Ook de toegang via het water, waarbij vooral voldoende diepgang belangrijk is, is cruciaal omdat er steeds grotere schepen worden ingezet.

Daarnaast is het voor de bedrijven van groot belang dat er geen wildgroei aan verschillende regels op het gebied van milieu en veiligheid ontstaat, maar dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de geldende internationale (Europese) wetgeving op het terrein van milieu en veiligheid.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Veilig

VOTOB en VOMI bieden Safety Deal aan

Het gezamenlijke initiatief van brancheverenigingen VOTOB en VOMI om de de veiligheid in de opslagketen te verbeteren, is vandaag bekrachtigd door staatssecretaris Wilma Mansveld. De bewindspersoon zegde op 1 juni steun toe om het plan uit te voeren.

Binnen de branches wordt er hard gewerkt om het algemene veiligheidsniveau van de aangesloten bedrijven te vergroten. Maar er zijn grenzen aan wat een branche in zijn eentje kan doen: de tankopslagbranche functioneert niet in een vacuüm, maar heeft voortdurend te maken met (onder-) aannemers en andere ketenpartners die ook een rol spelen in de veiligheid. De Safety Deal die VOTOB samen met VOMI (dienstverlenende bedrijven in de procesindustrie) heeft gesloten, is een logische stap om ook in de keten het veiligheidsniveau te verbeteren.

VOTOB en VOMI zijn trots dat deze Safety Deal door staatssecretaris Mansveld van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, is uitgekozen als een van de zes voorbeeldprojecten. “We zetten door middel van onze Safety Maturity Tool al jaren in op het generiek verbeteren van de veiligheid in de sector. Samen met VOMI gaan we nu ook brancheoverstijgend aan de slag”, aldus VOTOB-directeur Sandra de Bont.

Onder de noemer ‘Samen veilig werken in de keten’ worden de plannen ontvouwd. Tegelijkertijd geeft het voorstel van VOTOB en VOMI ook invulling aan de vierde pijler van het programma Veiligheid Voorop en beantwoordt het de aanbeveling van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) die in haar rapport over Odfjell bedrijven verzocht om “concrete betekenis en invulling aan ketensamenwerking en ketenverantwoordelijkheid te geven.”

Het programma Veiligheid Voorop stimuleert chemiebedrijven en hun ketenpartners om (gezamenlijk) hun veiligheidsperformance en veiligheidscultuur op een hoger peil te brengen. Ze delen kennis en methoden van aanpak  die veiligheid bevorderen en hebben aandacht en zorg voor het veiligheidsaspect bij de ketenbedrijven waarmee zij samenwerken en zaken doen.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Veilig

VOTOB denkt mee met vernieuwing PGS29

Deze zomer zal een nieuwe versie van PGS29 het licht zien. Vóór die tijd moet de voorzitter van de revisiewerkgroep PGS29, Margit Blok, nog wel een paar meningsverschillen uit de weg ruimen. Bijvoorbeeld over de risicomethodiek en de maatgevende criteria bij incidentbeheersing.

In december 2005 brak er op de Buncefield olieterminal in Groot-Brittannië een grote brand uit met rookwolken die tot in Frankrijk zichtbaar waren. Het kostte de brandweer vijf dagen om de enorme brand te bedwingen. Naderhand werden de oorzaken van de ramp duidelijk: diverse veiligheidsvoorzieningen hadden gefaald, waaronder de hoogteniveaumeters en het bijbehorende alarmeringssysteem. De resultaten van het Britse onderzoek waren in Nederland aanleiding om in 2008 de Richtlijn voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks (PGS29) aan te passen.

Kort na de aanpassing van de richtlijn PGS29 bleek echter dat er nog altijd onduidelijkheid bestond over de eisen aan bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks. De complexiteit van de richtlijn leidde tot interpretatieverschillen, wat een ongelijk speelveld opleverde. Daarom volgde kort op de herziening van 2008 een nieuwe revisieronde.

Sinds 2008 is de actualisatie en het beheer van de zogenoemde Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) door de rijksoverheid overgedragen aan een zelfstandige beheersorganisatie. Bedrijfsleven en overheden zorgen binnen deze organisatie gezamenlijk voor de inhoud van de publicaties. De publicaties geven aan welke voorschriften en criteria de overheid – op basis van de stand van de techniek – kan toepassen bij vergunningverlening aan bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken.

De revisiewerkgroep PGS29 houdt zich sinds 2013 bezig met de nieuwe revisie van de richtlijn voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks (PGS29). VOTOB is nauw betrokken bij deze revisie. In elke werkgroep zit een vertegenwoordiger van de VOTOB en VOTOB heeft de voorzitter geleverd voor deze werkgroep, namelijk Margit Blok (directeur HSE bij VTTI).

Het is voor tankopslagbedrijven niet altijd geheel duidelijk aan welke eisen ze moeten voldoen bij de opslag van brandbare vloeistoffen. Ook binnen de werkgroep PGS29 komen interpretatieverschillen aan het licht. ‘’Eén van de moeilijkste discussiepunten bij de herziening van PGS29 is de vraag wat een ‘maatgevend scenario’ is”, vertelt Margit Blok. “Wat geldt als ‘maatgevend’ bij een incident? Op welk type incidenten moeten we precies voorbereid zijn? Vinden we het acceptabel om een tank gecontroleerd te laten uitbranden?”

Een ander punt van discussie is het identificeren van een voor alle partijen acceptabele risicomethodiek. Margit Blok: “Stel je hebt een huis van drie verdiepingen, ben jij als huiseigenaar verplicht om uit voorzorg een brandladder aan de buitenkant van je huis te bevestigen? Of kan je op een andere manier het risico voldoende reduceren, zoals door in elke kamer een rookmelder bevestigen?”

Het concept wordt deze zomer gepubliceerd voor commentaar. “Dan krijgen alle partijen nog de gelegenheid om een reactie te geven”, aldus Margit Blok.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Educatief

Tieners snuffelen rond

Het zijn operators en vooral onderhoudstechnici waaraan industriële bedrijven in de Rotterdamse haven behoefte hebben. Maar strenge veiligheidseisen maken het moeilijk om jongeren een snuffelstage te laten doen. Cees Alderliesten: “Eigenlijk zou er een plek moeten zijn waar tieners kunnen kennismaken met de industrie en rondbanjeren zonder dat ze rampen kunnen ontketenen.”

Cees Alderliesten houdt zich bij Deltalinqs bezig met allerlei arbeidsmarkt-vraagstukken. Deltalinqs is de Rotterdamse ondernemersvereniging voor de haven en het botlekgebied. “Zoals iedere ondernemersvereniging willen we vraagstukken zoveel mogelijk gezamenlijk oppakken. Het vergroten van de instroom van jonge arbeidskrachten is één van die thema’s.”

Het Rotterdamse havengebied geeft werk aan zo’n 85.000 à 90.000 mensen, dat is heel wat, vindt ook Alderliesten. “Dit omvat alle haven-gerelateerde bedrijven, de overslag, alles wat met laden en lossen te maken heeft, de distributie, en alle industrie die ook in de haven gevestigd is, zoals het petrochemisch cluster.”

Haven groeit nog altijd
Ondanks de jarenlange economische crisis, groeit de Rotterdamse haven nog altijd. Alderliesten: “Het tekort aan mensen met een technische opleiding, blijft, en dan gaat het om hbo’ers en om mbo’ers met niveau 3 en 4.” Elk jaar onderzoekt Deltalinqs de arbeidsmarktsituatie in de haven. “Jaarlijks komen er zo’n 2.000 à 2.500 nieuwe vacatures bij, verdeelt over de maritiem-logistieke sector en de  industrie. Bijna de helft van alle vacatures kan door gediplomeerde schoolverlaters worden ingevuld. Maar zolang het aantal jongeren die met een diploma van de opleidingen afkomen niet toereikend is om de vacatures op te vullen, stapelt het tekort aan vakkrachten zich dus op.”

Al beginnen op de basisschool
Eén van de dingen waar Deltalinqs zich daarom mee bezig houdt, is de promotie van het gehele haven industrieel complex. “Op de basisschool hebben ze wel een projectweek over de tachtigjarige oorlog, maar het gemiddelde Rotterdamse schoolkind is weinig met de haven bezig”, zegt Alderliesten. “Daarom hebben we, onder de naam PortRangers, een havenprojectweek voor kinderen op de basisschool ontwikkeld.”

De tekorten zijn vooral nijpend bij het de chemie en de petrochemie, stelt Cees Alderliesten. Het moeilijkst aan te werven zijn goede onderhoudstechnici (maintenance). Om meer mensen hierin  opgeleid te krijgen, werkt Deltalinqs samen met drie MBO-instellingen: het Scheepvaart en Transport College, Albeda en Zadkine. “Het vak onderhoudstechnicus wordt vaak nog een beetje minderwaardig beschouwd, hoewel het intussen echt een volwaardig vakgebied is geworden. Bedrijven hebben voor miljoenen aan installaties staan, een goed onderhoud daarvan levert geld op.”

Vanwege de strenge veiligheidseisen bij veel bedrijven, is het moeilijk om jonge mensen een kijkje in de keuken te laten nemen. Onder de 18 jaar mag je vaak niet eens op het terrein van chemische plant komen. Dat maakt het dus extra lastig om jongeren voor de sector te interesseren.

De haven komt naar je toe
Alderliesten: “We verzinnen dus andere dingen om leerlingen in contact te brengen met het haven industrieel complex: bijvoorbeeld de ‘Dag van de chemie’, de ‘Wereldhavendagen’ en de ‘Week van de procestechniek’. Daarnaast hebben we het Educatief Informatie Centrum in Rozenburg, waar jongeren op een speelse manier kunnen kennismaken met de havenbedrijven.” Overigens merkt Alderliesten op dat het afgelopen jaar aan de ‘Dag van de chemie’ maar drie Rotterdamse bedrijven meededen. “Dat vind ik toch wel raar voor bedrijven die een imagoprobleem hebben.”

Deltalinqs onderzoekt nu de haalbaarheid voor het realiseren van een ‘oefenfabriek’ op de RDM Campus. Het idee is om hiermee een realistische leeromgeving te maken voor leerlingen. “Tegelijk zou dit een mogelijke plaats kunnen worden waar geïnteresseerde jongeren rondbanjeren en de industrie echt van dichtbij meemaken, zonder kans dat ze rampen ontketenen.”

Gedeelde verantwoordelijkheid
Een ander initiatief dat succesvol blijkt te zijn is de ‘carrière start garantie’. Een student die zijn opleiding succesvol doorloopt, krijgt een garantie op een stageplaats en op een startbaan in de sector.

Voor Cees Alderliesten is het belangrijk dat individuele bedrijven uit het havengebied de arbeidsmarktproblematiek niet op elkaar afschuiven en ook hun steentje bijdragen bij het aanbiede van stageplekken bijvoorbeeld. “Veel onderhoud is tegenwoordig uitbesteed aan gespecialiseerde onderhoudsbedrijven, maar dat wil niet zeggen dat je de verantwoordelijkheid voor personeelstekorten ook maar bij de contractor kunt neerleggen. En als het onderhoudsbedrijf een extra man die in opleiding is, wil meenemen, dan moeten havenbedrijven daar niet moeilijk over doen. Het is in ieders belang dat we genoeg nieuwe aanwas hebben.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Duurzaam

Elk jaar weer laaghangend fruit

In 2012 liet de tankopslagsector een energiebesparing  van  213 TJ  zien ten opzichte van het basisjaar 2008. Mart van Melick van Agentschap NL zet deze resultaten in de juiste context.

De tankopslagsector neemt al enkele jaren deel aan de meerjarenafspraken op het gebied van energie-efficiency. De cijfers laten zien dat het totale energieverbruik in de tankopslag in 2012 (2.349 TJ) ongeveer  op een zelfde niveau ligt als in 2011. Mart van Melick is bij AgentschapNL één van de teamleden die de tankopslagsector langs de meetlat legt.

“Of het heeft opgeleverd wat de sector ervan verwachtte, dat is iets dat de branche eigenlijk zélf moet aangeven”, vindt Van Melick. “Een goed beeld van wat de besparingen hebben opgeleverd, levert ook argumenten aan om ermee door te gaan of ermee te stoppen.”

Jaarlijks stelt het tankopslagteam  een sectorrapportage samen, specifiek voor de tankopslagsector. Andere collega’s bij Agentschap NL houden zich met andere sectoren bezig. De sectorrapportage is een geaggregeerd overzicht van de gegevens die individuele bedrijven jaarlijks aanleveren. Om het succes van de meerjarenafspraken te meten, moet je de sectorrapportage daarom naast de eigen meerjarenplannen van VOTOB leggen.

Prominente plek in de organisatie
Van Melick merkt dat bedrijven hun prestaties op het gebied van energie-efficiency ook gebruiken als invulling van hun MVO-beleid (maatschappelijk verantwoord ondernemen). “Doordat je deelneemt aan de MJA, wordt het onderwerp energie  ook prominenter in de organisatie op de agenda gezet.. Dat vertaalt zich in personele zin: er worden mensen aangenomen die zich bezighouden met energiebesparing. Op die manier wordt het ook in de bedrijfsvoering verankerd. Zo krijg je gestructureerde aandacht voor energiebesparing.”

Dat verankeren van energie-efficiency-beleid was ook precies de opzet van de MJA. Van Melick: “Bedrijven die deelnemen, verplichten zich om binnen drie jaar een volledig energiezorgsysteem in te voeren, als onderdeel van hun milieuzorgsysteem. Daar rekenen we ze ook min of meer op af.” Als taken en verantwoordelijkheden binnen een bedrijf duidelijk zijn benoemd, dan is energiebesparing beter geborgd.”

Agentschap NL kijkt naar de cijfers die de bedrijven jaarlijks aanleveren, en baseert haar oordeel op deze gegevens. “Wij gaan niet ter plekke kijken of die cijfers wel kloppen, maar we bezoeken  wel regelmatig  de bedrijven, om voeling met de sector te houden. Ik wil gewoon weten wat er speelt, juist om facilitering op maat te kunnen leveren.”

Basis is vertrouwen
“De basis van het convenant is wederzijds vertrouwen. We nemen aan dat de cijfers die de bedrijven aanleveren, kloppen, de Meerjarenafspraken werken op dit punt  anders dan wetgeving. De cijfers die de bedrijven aanreiken, moeten kloppen met wat ze werkelijk doen. Soms zie je dat er onredelijke besparingen worden opgevoerd. Dan nemen wij de telefoon even om te kijken wat er aan de hand is. Niet met de insteek ‘ze zijn de kluit aan het belazeren’, maar met de vraag of er misschien ergens een fout ingeslopen is.  Het overall beeld laat toch goed zien wat bedrijven feitelijk aan het doen zijn.”

Met alle deelnemers aan de twee huidige energieconvenanten, MJA3 en MEE wordt zo’n 80% van het industriële energieverbruik bestreken. Het grootste deel van het midden- en kleinbedrijf valt buiten de convenants afspraken en hebben in plaats daarvan met de Wet Milieubeheer te maken. Het concept MJA gaat intussen al meer dan  twintig jaar mee: zijn intussen alle renderende besparingsmaatregelen niet allang genomen? Hoe lang kan zo’n convenant nog blijven werken?

Van Melick: “Soms zegt men wel eens dat al het ‘laaghangend fruit’ al geplukt is, maar kenmerkt van fruitbomen is juist dat er elk jaar weer nieuw fruit aangroeit. Bij stijgende energieprijzen en   en zich aandienende nieuwe  technieken ontstaan  telkens weer nieuwe mogelijkheden voor energiebesparingen biedt. Het is geen statisch geheel, de bedrijven zijn voortdurend in beweging.”

Lessen voor  VOTOB
Agentschap NL kijkt niet alleen naar de tankopslag, maar naar alle industriële sectoren. Is er iets dat de tankopslag van de anderen zou kunnen leren? Mart van Melick: “In het algemeen zou je kunnen zeggen dat VOTOB-leden de keuken wat meer voor elkaar zouden kunnen opengooien. In bijvoorbeeld  de rubber- en kunststofindustrie zie je dat de sector maximaal voordelen haalt uit kennisdeling  en door onderlinge samenwerking  Het heeft iets met de bedrijfscultuur te maken dat dat bij VOTOB lastiger is. Maar in mijn ogen liggen hier nog  aantrekkelijke  kansen.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Safety Maturity Tool | Nieuws | Veilig

Safety Maturity Tool: de hardware

VOTOB-lidbedrijven hebben hun hardware behoorlijk goed op orde, maar Kiwa-inspecteur Eef Nauta drukt bedrijven op het hart dat hardware méér is dan alleen tanks. “De leidingen verdienen dezelfde aandacht en het liefst komen alle lijntjes bij één persoon samen.” Nauta voerde in het kader van de Safety Maturity Tool de hardware-audit uit.

Ook al maakt hij een doorgewinterde indruk, Eef Nauta begon pas vorig jaar maart als teamleider olie, gas en chemische installaties bij certificeringsorganisatie Kiwa. “Daarvoor zat ik 29 jaar bij Shell, waarvan 23 jaar bij de inspectiedienst van het bedrijf.”

Eef Nauta houdt van technische uitdagingen: “Ik ben van oorsprong werktuigkundige, ik ben ooit nog begonnen in de koopvaardij.” Bij Shell deed Nauta de laatste tijd zelf weinig inspecties meer. Zijn werk bestond vooral uit het bijhouden van kwaliteitszorgsystemen en verzorgen van trainingen voor collega’s. “Ik was daar toch de oude, ervaren inspecteur, de ‘lieve Liza’ bij wie iedereen met z’n technische vragen terecht kon.”

Zeldzame zelf-audit
In opdracht van VOTOB voerde Nauta het hardware-gedeelte van de Safety Maturity Tool (SMT) uit. Met een kritisch oog bekeek hij talloze tanks, leidingen en drukvaten. Zo’n uitgebreide zelf-audit kwam Eef Nauta nog niet eerder bij een branche tegen. “Je ziet het wel bij grote multinationals, bij Shell of Esso. Die doen dan eens in de zoveel jaar een Focused Asset Integrity Review.”

Eef Nauta: “Ik vind het een goed idee dat VOTOB-leden zo’n SMT uitvoeren. Het maakt heel snel inzichtelijk waar de aandachtspunten liggen. In het algemeen hebben de tankopslagbedrijven het qua tanks goed voor elkaar. Ik heb maar weinig terminals gezien waarbij er moeilijkheden waren.”

Problemen lagen niet zozeer bij tanks, maar eerder bij andere keurplichtige apparatuur, zo constateerde Nauta. “Ook het leidingwerk en drukapparatuur ben je verplicht om eens in de vier of zes jaar te inspecteren. Sommige bedrijven brengen dit onder bij de HSE-persoon, andere bedrijven bij de onderhoudsafdeling. Het viel me op dat deze informatie vaak niet makkelijk boven water te krijgen was. Het wás er wel, maar soms moesten ze er lang naar zoeken.”

Inzicht met één druk op de knop
Volgens Nauta zou alle kennis over inspecties van hardware bij één persoon neergelegd moeten worden, en liefst ook nog bij iemand die onafhankelijk is van het productieproces. “Het ligt nu te veel op verschillende plekken en bij mensen die druk met andere dingen bezig zijn. Van inspectie wordt vaak gedacht ‘het kost geld’, maar op den duur bespaart het echt geld. Idealiter kun je met één druk op de knop een overzicht geven van alle assets en wanneer ze geïnspecteerd moeten worden.”

Kiwa zou op dit vlak ook diensten kunnen aanbieden, meent Eef Nauta. “We zouden bedrijven kunnen helpen om een inspectie coördinatiesysteem neer te zetten voor terminals. Inspectie is echt iets anders dan onderhoud. Bij een inspectie weet je niet alleen of een tank voldoet, maar ook wanneer je wettelijk verplicht bent om opnieuw te inspecteren en dat alles in afstemming met de operationele en onderhoudsafdeling.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Duurzaam

Vanaf 2015 verbod op ontgassen

Benzeen is, zoals bekend, een kankerverwekkende stof. Het was dan ook niet verrassend dat de overheid recent tot een uitstootverbod besloot. Branchevereniging VOTOB vindt echter wel dat zo’n verbod technisch haalbaar en handhaafbaar moet zijn. Dát er een verbod op ‘ontgassen’ zou komen, stond voor Sandra de Bont (directeur VOTOB) wel vast.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Innovatief

De innovatieve vonk laten overspringen

Wat als je het gevaarlijke en langdurige schoonmaakwerk in tanks door robots in plaats van mensen zou kunnen laten uitvoeren? Kennisplatform iTanks wil deze fantasie op korte termijn werkelijkheid laten worden. Cor van de Linde is directeur van iTanks.

Stofzuigrobots en grasmaairobots zijn intussen al helemaal ingeburgerd, maar het schoonmaken van tanks heeft een extra moeilijkheidsgraad: vanwege explosiegevaar mag een robot in zo’n omgeving geen elektronica bevatten. Oftewel, zo’n schoonmaakrobot moet geschikt zijn voor een ATEX 0-stituatie. “We zijn nu bezig met een try-out van een robot die via glasvezel en sensoren te besturen is. Dit is wel patent-waardig”, aldus Van de Linde. De bedrijven Enigma en Conceptron Engineering ontwierpen de robot, een ‘lopend’ onderstel waarop verschillende toepassingen geplaatst kunnen worden: een spuitinstallatie, een zuiginstallatie of meetinstrumenten.

Het kennisplatform was oorspronkelijk een initiatief van Maasvlakte Olie Terminal (MOT), waar Cor van de Linde voorheen werkzaam was als technisch directeur. Begin dit jaar maakte Van de Linde de overstap van MOT naar iTanks. “Er kwamen steeds meer verzoeken vanuit de MOT-aandeelhouders, vanuit BP, Shell, Total, Vopak, over kennismanagement en innovatie, bijvoorbeeld ‘Hoe kun je een goed onderhoudsconcept ontwikkelen voor een nieuwe terminal?’ Aanvankelijk ben ik binnen MOT gestart met het uitwerken van dit soort vragen. Al gauw bleek echter dat het slimmer was om een onafhankelijke stichting op te richten. In januari 2012 hebben we de stichting iTanks opgericht. Op die manier komen de innovaties ten goede aan alle deelnemende partners en niet alleen aan één aandeelhouder.”

Pitches en masterclasses
Intussen heeft het kennisplatform iTanks nu 65 partners, waaronder ook VOTOB-leden Standic, VTTI en Vopak, NOVA Terminals en natuurlijk Maasvlakte Olie Terminal. Voor innovaties kijkt Cor van de Linde vooral naar MKB-bedrijven. “We werken met sponsorabonnementen”, aldus Van de Linde, “de twee grootste sponsoren zijn het Rotterdams Havenbedrijf en de Rabobank.”

“Er worden bijvoorbeeld innovaties in andere bedrijfstakken ontwikkeld die we ook in de tankopslag kunnen toepassen. Als stichting zorgen we ervoor dat degene die een product of een proces ontwikkeld heeft, in contact komt met investeerders of subsidies zodat het idee ook echt kan worden toegepast. MKB’ers verzinnen vaak nieuwe dingen ten behoeve van asset owners, maar weten niet altijd hoe ze die vindingen aan de man moeten brengen. Wat iTanks verder doet is ervoor zorgen dat bedrijven de innovaties ook daadwerkelijk gaan gebruiken. Dat kunnen wij natuurlijk niet garanderen, maar door het uitgebreide netwerk dat we hebben, is de kans wel groot dat een innovatie daadwerkelijk toepassing vindt.”

iTanks verzint verschillende manieren om de innovatieve vonk te laten overspringen. Zo worden er door de stichting brainstormsessies, innovatieve pitches, case studies en master classes georganiseerd.

Slimmere stellingen
Voorbeelden van innovaties heeft Cor van de Linde te over: “Zo hebben we een stellingbouwer die een innovatie heeft ontwikkeld waardoor veel goedkoper gewerkt kan worden door middel van magneten. Zo’n bedrijf werkt meer op persoonlijke basis met klanten; wij hebben suggesties gegeven voor business to business marketing zodat de innovatie breder toegepast kan worden.” Een andere innovatie betreft lastoortsen. Bij het lassen wordt vaak roet ingeademd, daarom is afzuiging belangrijk. In samenwerking met TNO heeft het bedrijf Translas een systeem voor bronafzuiging ontwikkeld, die veel gezonder is voor lassers. Van de Linde: “De marktintroductie van dit product gaat in oktober plaatsvinden.”

Dat de economische groei de laatste jaren achterblijft, is voor dit soort innovaties geen slecht nieuws. “Als de bomen tot in de hemel groeien, bestaat er eigenlijk weinig behoefte aan slimme vindingen waarmee je geld of energie kunt besparen”, weet Van de Linde. “Daarbij komt dat bedrijven bijna altijd tekort aan technisch personeel hebben. Minder mensen betekent dat je het slimmer en efficiënter moet doen.”

Samen met TU Delft en RDM campus
Cor van de Linde heeft zelf een opleiding genoten als werktuigbouwkundige en deed later nog een bedrijfskundige opleiding met het specialisme ‘change management’. Van tevoren had hij het nooit kunnen bedenken, maar in zijn huidige functie als directeur van iTanks komen al zijn interesses bij elkaar. iTanks is onder zijn leiding al uitgegroeid tot een platform waarbij intussen meer dan 40 bedrijven zijn aangesloten.

“Onze focus ligt op veiligheid, duurzaamheid en efficiency”, antwoordt hij op de vraag waar iTanks zich de komende jaren op zal gaan richten. “Als ik zie hoe de samenwerking met TNO is, dan verwacht is daar veel van. In de nabije toekomst willen we ook meer gaan samenwerking met onderwijsinstellingen, met de TU Delft en de RDM campus. Over tien jaar is iTanks de innovatieve motor van de Rotterdamse haven, waar allerlei innovaties en nieuwe producten vandaan komen.”

 

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Waardevol

Minerale oliën snelste groeiers in 2030

Van welk toekomstscenario je ook uitgaat, de op- en overslag van natte bulk blijft een groeimarkt. Dat staat te lezen in het strategiestuk Port Compass, de havenvisie voor 2030 die door het Havenbedrijf Rotterdam samen met de gemeente Rotterdam, diverse Ministeries en Deltalinqs is opgesteld.

Om de economische ontwikkelingen telkens een stap voor te kunnen zijn, moet je je verdiepen in trends en scenario’s. Gaat de olieprijs door het plafond of juist niet? Hoe ontwikkelen de grootste concurrenten van de Rotterdamse haven zich? Wat betekenen veranderingen in mondiale goederenstromen voor de haven?

Het strategiestuk onderzoekt eerst alle trends die raken aan het havenindustrieel complex en schetst vervolgens twee visies: de haven als ‘Global Hub’ en als ‘Europe’s Industrial Cluster’. De belangrijkste trends zijn volgens het Port Compass: de verschuiving van het zwaartepunt van de wereldeconomie, grondstoffenschaarste, internationalisering van de arbeidsmarkt, schaalvergroting van transportmiddelen, integratie van logistieke ketens, slimmere ICT systemen, en een veranderende brandstofmix in Europa.

Naar 750 miljoen ton overslag
Voor de overslag wordt verwacht dat in 2015 de grens van 500 miljoen ton bereikt zal worden. “Dit maakt dat het Havenbedrijf en het havenbedrijfsleven de overtuiging hebben dat de haven zich moet voorbereiden op een overslag van 675 tot 750 miljoen ton in 2030.” Nat massagoed blijft voor de Rotterdamse haven een belangrijke groeimarkt.

“De positionering van Rotterdam in het nat massagoed blijft ongewijzigd sterk: voor ruwe olie blijft de hub-positie onaangetast door het bestaande pijpleidingennetwerk (naar onder andere Antwerpen, Moerdijk en het Ruhrgebied) gecombineerd met de diepgang en opslagcapaciteit in Rotterdam. Minerale olieproducten hebben de grootste groeipotentie.” Dit heeft alles te maken met de toekomstige Shtandart Terminal, die vanaf eind 2016 als hub voor opslag en doorvoer van Oeral ruwe olie en olieproducten zal fungeren.

De verladers (zowel de verschepers als de ontvangers) worden volgens het Port Compass steeds belangrijker. “Grote verladers gaan meer en meer hun stempel drukken op de logistieke keten. Stuwende factoren hierachter zijn efficiëntie en kosten, maar vooral ook betrouwbaarheid en duurzaamheid. Verladers kijken naar de kwaliteit en de kosten van de totale logistieke keten en niet alleen naar het maritieme gedeelte.”

Global Hub, dus opslag
Uit het Port Compass spreken twee belangrijke ambities: Rotterdam wil in 2030 een Global Hub worden voor container-, brandstof- en energiestromen en Rotterdam wil tegelijk Europa’s grootste industriële complex worden. De ‘Global Hub’-doelstelling heeft natuurlijk belangrijke consequenties voor de tankopslag.

Het rapport voorziet dat de groei van intermodaal vervoer ervoor gaat zorgen dat de schaarse ruimte in de Rotterdamse haven beter benut kan gaan worden. “Inland hubs vanwaar de lading naar kleinere intermodale terminals wordt getransporteerd, gaan zich ontwikkelen als een toegangspoort voor de haven.”

Om de ambities waar te kunnen maken, moet de haven echter meer ruimte gaan bieden. Ruimte voor groei in het aantal containers, voor ontwikkelingen in het energiecluster, voor de ontwikkeling van Rotterdam Fuel Hub, voor stadshavens en voor het petrochemisch cluster. En tot slot: “Het tempo van plan- en besluitvorming moet omhoog, bij alle partijen. Versnellen is het credo als het gaat om de realisatie van deze visie.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Waardevol

Groeien tot 125 miljoen ton overslag

De Amsterdamse haven wil in 2040 leidend worden op het gebied van biofuel. Gedeputeerde Elisabeth Post wil een goede balans vinden tussen werken, wonen en recreatie. “En Nederland als belangrijkste havenregio ter wereld etaleren.”

Niet alleen in Rotterdam, ook in Amsterdam neemt het havengebied een prominente plaats in de economie in. Miljoenen tonnen goederen worden in de ‘Port of Amsterdam’ overgeslagen, waaronder kolen, benzine en cacao. De haveneconomie heeft van oudsher z’n plek in en rond Amsterdam, maar tegelijk rukt de verstedelijking op. Hoe zorg je dat de verschillende functies rondom het Noordzeekanaal elkaar niet bijten?

In een recent visiedocument voor het gehele Noordzeekanaalgebied (visie NZKG) wordt een tipje van de sluier opgelicht wat betreft de gewenste koers. Gedeputeerde Elisabeth Post: “We wilden in deze visie invulling geven aan een duurzame toekomst. In het plan voor 2040 moet daarom ruimte zijn voor de energietransitie.”

“Natuurlijk zijn de Rotterdamse haven en de Amsterdamse haven niet vergelijkbaar, qua omvang is Rotterdam natuurlijk een andere categorie. Tegelijkertijd zijn wij in Amsterdam de grootste cacaohaven en zijn we het grootst in value added logistics.”

Wonen en werken in de Zaanstreek
“De grote winst van de visie voor het Noordzeekanaalgebied is dat we -juist doordat we er samen met de Provincie, gemeenten, bedrijven en het ministerie aan gewerkt hebben – nu ook met z’n allen het economisch belang van de regio onderschrijven. We willen zoveel mogelijk zekerheden bieden aan bedrijven die zich hier gevestigd hebben: als je hier gevestigd bent, dan willen we dat je er ook in de toekomst kunt blijven zitten, ook als uitbreiding aan de orde is.”

Daarbij tekent Post wel aan dat absolute zekerheid natuurlijk nooit gegeven kan worden. “Op sommige plekken, in de Zaanstreek bijvoorbeeld, zitten de functies wonen en werken wel heel dicht tegen elkaar aan. Dan moet je per geval kijken wat de optimale benutting van de ruimte is.” 

De schrijvers van het visiedocument, onder leiding van de Commissaris van de Koning in de Provincie Noord-Holland Johan Remkes, zien voor de Amsterdamse haven vooral perspectief op het gebied van containers, biofuel en cruises.  Doelstelling is om de overslag te laten stijgen tot 125 miljoen ton op het bestaande areaal. De aanleg van de tweede zeesluis, waar Gedeputeerde Post zich sterk voor maakt, past hierin uitstekend.

Misschien uitbreiding in Houtrakpolder
Duurzame benutting van de aanwezige ruimte is volgens het visiedocument de leidraad. In eerste instantie gaat de provincie er dus vanuit dat er geen nieuw havenareaal ontwikkeld hoeft te worden. Mocht er toch vraag ontstaan naar nieuw havengebied dat is het noordelijk deel van de Houtrakpolder daarvoor gereserveerd (ten westen van de Afrikahaven en Ruigoord).

Elisabeth Post: “Het interessante is dat deze visie onderdeel is geworden van de nationale havenvisie van het kabinet. We zijn ook steeds in contact met de haven van Rotterdam. In Nederland gaat het om de vraag: hoe kun je elkaar versterken. We moeten in zo’n klein land geen energie verspillen aan het beconcurreren van elkaar. Er zijn tal van bedrijven die vestigingen hebben in alle Nederlandse havens. Ons doel is om Nederland als belangrijkste havenregio van de wereld te etaleren.”

Op 23 september 2013 werd door de Provinciale Staten van Noord-Holland de visie Noordzeekanaalgebied 2040 vastgesteld.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Safety Maturity Tool | Nieuws | Veilig

Joop Atsma: transparantie belangrijk

“De tankopslag heeft me echt verrast.” Voormalig milieu-bewindsman Joop Atsma vond de sector voorheen nogal ‘naar binnen gekeerd’; nu is hij gegrepen door de drive en de dynamiek van de tankopslagbedrijven.

Sinds januari 2014 is oud milieu-staatssecretaris Joop Atsma het gezicht van VOTOB. Volgens de werkgeversvoorman Wientjes was hij de ideale staatssecretaris, omdat hij niet alleen aan milieu, maar ook aan ondernemers dacht. Na enkele maanden als VOTOB-voorzitter is Atsma vooral onder de indruk van de betekenis van de sector voor de Nederlandse economie. “De tankopslag is bij het bredere publiek minder bekend, maar is van enorm belang. Ik zie het als mijn rol om dit belang beter duidelijk te maken.”

Joop Atsma is tegelijk verrast over de drive en de bevlogenheid die hij bij de VOTOB-leden aantrof. “Ik was erg verrast over wat de VOTOB-leden op poten hebben gezet, met de Safety Maturity Tool en andere tools om duurzaamheid en de veiligheid te vergroten. Dat was toch anders dan ik verwacht had. Als staatssecretaris van Milieu had ik de indruk dat de sector erg naar binnen gekeerd was. Door de gebeurtenissen in 2012 moest de sector wel naar buiten treden, aangezien de VOTOB-bedrijven onder een vergrootglas kwamen te liggen.”

Graag wat variatie
In de media werd er kritisch gereageerd op Atsma’s overstap naar VOTOB. De draai van milieu-staatssecretaris naar vertegenwoordiger van de tankopslag zou volgens sommigen te groot zijn. “Jammer”, vond Joop Atsma dit. “Maar eigenlijk was er maar heel weinig kritiek. De mensen vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, de uitvoerende diensten en vanuit de veiligheidsregio reageerden juist heel positief.”

Atsma is niet voor één gat te vangen. Behalve voor de tankopslag is hij actief voor ‘De Lotto’, voor het ijsstadion Thialf in Heerenveen en voor het Productschap Vee en Vlees. Lopen al die functies niet té ver uiteen? Joop Atsma: “Ik heb altijd gezegd dat ik me niet op één sector of branche wilde oriënteren. Dat heb ik in het verleden trouwens ook nooit gedaan. Ik houd gewoon van die variatie; ik ben geboeid door verschillende onderwerpen.”

Atsma vervolgt: “Het Productschap Vee en Vlees is overigens wel een beetje vergelijkbaar met VOTOB: de branche heeft met soortgelijke problemen te maken. Ik zat laatst bij Tjibbe Joustra (de voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid) en we konden gelijk van het onderzoek naar Odfjell naar het onderzoek in de vleessector overstappen. Er zijn zeker parallellen aan te wijzen: in beide sectoren wordt transparantie steeds belangrijker. Zowel in de tankopslag als in de slachterijen geldt dat het vertrouwen bij de toezichthouder en bij de burger moet worden verstevigd en dat transparantie de weg daar naartoe is.”

Voorkomen van geuroverlast
Omdat Joop Atsma een netwerker pur sang is, gaat het werk voor VOTOB ook in de weekenden gewoon door. “Afgelopen weekend sprak ik nog met Steven Lak, de voorzitter van Deltalinqs, over hoe we de sector positiever zouden kunnen profileren. De sector is namelijk niet alleen naar binnen gericht; een aantal politieke partijen zien de tankopslag liever gaan dan komen. Bedrijven moeten daar oog voor hebben, daarop inspelen. We moeten nóg duidelijker maken wie we zijn en wat de betekenis van de sector is.”

Als milieu-staatssecretaris stond Atsma erom bekend dat hij vond dat het bedrijfsleven de trekker moest zijn van het duurzaamheidsbeleid. Zal hij deze lijn als voorzitter van VOTOB verder uitvoeren? “De hele discussie rondom het ontgassen is een goed voorbeeld van de proactieve koers van de sector. Sommige leden hebben recent het idee geopperd om e-noses (elektronische neuzen) te introduceren om geuroverlast tegen de gaan. Daarmee laten we zien dat het niet alleen bij goede voornemens blijft.”

“Tegelijkertijd kun je nog zover vooroplopen; het beeld bij de buitenwacht zal altijd bepaald worden door degenen die achterblijven”, weet Atsma. “De tankopslag heeft er belang bij dat de bedrijven die niet voorop lopen, uiteindelijk ook meekomen. Mede dankzij de Safety Maturity Tool worden in dat opzicht enorme stappen gezet.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Duurzaam

Heel kleine kans op grote schade

Misschien worden Brzo-bedrijven binnenkort verplicht om zich tegen milieuschade te verzekeren. Advocaat Natalie Vloemans adviseert bedrijven om niet af te wachten tot er wetgeving aankomt, maar zélf alvast met verzekeraars in gesprek te gaan.

“Hoewel Brzo-bedrijven zelf verantwoordelijk zijn voor het in goede staat houden van bedrijventerreinen, komt het tóch voor dat overheden opdraaien voor de saneringskosten bij een faillissement.” Die conclusie trok Tweede Kamerlid Liesbeth van Tongeren in december 2013. In de motie die haar naam draagt, vroeg zij aan de regering te laten onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om Brzo-bedrijven zélf voor de saneringskosten te laten opdraaien.

De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) ging met de opdracht aan de slag. Aan het begin van de zomer kwam de raad met een advies over de mogelijkheden van financiële zekerheidsstelling voor aansprakelijkheid bij milieuschade.

Geen wijzigingen civiel recht
Advocaat Natalie Vloemans (Ploum Lodder Princen) kent de kwestie op haar duimpje. “Deze discussie over de verzekerbaarheid van milieuschade speelt al sinds 1989”, weet Vloemans. “Er zijn tientallen rapporten over het onderwerp verschenen, maar tot nu toe is er nooit concreet op geacteerd, in de zin van wijziging van het civiel recht. Ik krijg het gevoel dat men bedrijven toch niet echt durft te verplichten om zich tegen dergelijke risico’s te verzekeren.”

Probleem van Brzo-bedrijven is dat de kans op milieuschade misschien wel klein is, maar dat die heel kleine kans wel heel grote schade kan veroorzaken. Schade die vervolgens heel lastig te verhalen is op de veroorzaker. Dat is precies de reden waarom regering en parlement de invoering van wettelijke zekerheidsstelling voor Brzo-bedrijven overwegen.

Volgens de Rli kan zo’n financieel zekerheidsstelsel verschillende vormen hebben. Het zou een verplichte verzekering kunnen zijn, een concerngarantie, een bankgarantie of een onderling waarborgfonds. Van belang is dat zo’n financieel zekerheidsstelsel niet tot gevolg heeft dat bedrijven minder aan preventie gaan doen.

Verzekeraars krabbelen terug
Vloemans: “Aan een verzekering zou je voorwaarden kunnen koppelen, maar als een bedrijf het op een andere manier oplost, via een concerngarantie bijvoorbeeld, dan kun je daar als overheid geen voorwaarden aan stellen.”

Een andere lastigheid is dat verzekeraars uitsluitingsgronden gebruiken, die ervoor zorgen dat het risico alsnog bij de overheid kan neerslaan. “Naarmate het over meer abstracte risico’s gaat, bijvoorbeeld over nanotechnologie, krabbelen verzekeraars snel terug”, aldus advocaat Vloemans. Het is kortom niet zo eenvoudig om een oplossing voor deze problematiek te vinden.

Advocaat Vloemans adviseert VOTOB-leden daarom om in gesprek te gaan met verzekeraars en tussenpersonen. “Volgens mij is het goed om hierin een proactieve koers te varen. Je zou aan verzekeraars kunnen vragen of ze van plan zijn om een specifiek product hiervoor aan te bieden. Neem het initiatief en ga aan de voorkant meedenken met de verzekeraars. Wellicht zouden verzekeraars zelfs een product kunnen maken dat aan alle bedrijven aangeboden kan worden. Daarmee wordt de premie dan vanzelf ook weer lager.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn